nieuws

Snackfabriek onderverzekerd: adviseur moet zeven ton betalen

Schade 8515

Onvoldoende letten op onderverzekering kan voor verzekeringsadviseurs nog wel eens duur uitpakken. Een intermediairbedrijf moet ruim zeven ton betalen aan een klant die na een brand wegens onderdekking veel minder kreeg uitgekeerd dan verwacht, zo blijkt uit een recente uitspraak van het gerechtshof Den Haag.

Snackfabriek onderverzekerd: adviseur moet zeven ton betalen

Een groothandel in voedingsmiddelen, waaronder horeca-snacks, heeft via een intermediairbedrijf brandverzekeringen lopen bij Reaal. Op basis van de gegevens in de uitspraak lijkt de zaak te gaan om de brand die in 2010 loempia- en snackfabriek Kivits in Zoetermeer in de as legde.

Op 1 juli 2010 breekt er brand uit in het bedrijfspand, waarna blijkt dat de dekking bij Reaal niet voldoende is om de brandschade te dekken. Er ontstaat een geschil met het intermediairbedrijf; dat leidt ertoe dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar € 250.000 aan de klant uitkeert als voorschot. Het bedrijf stapt naar de rechter met de eis dat de tussenpersoon ruim negen ton betaalt omdat hij verantwoordelijk is voor de onderverzekering door onder meer geen taxaties te laten doen. Bovendien is de uitkeringsduur van de bedrijfsschadeverzekering zonder overleg verlaagd van 52 naar 26 weken.

De Haagse rechter stelt de klagers in het gelijk en veroordeelt het intermediairbedrijf tot betaling van zo’n € 541.000, met aftrek van het voorschot. De tussenpersoon had moeten waken voor onderverzekering; en diens beroep op eigen schuld van de verzekerde wordt verworpen. Wel oordeelt de rechter dat niet is aangetoond dat ooit een uitkeringsduur van 52 weken is afgesproken.

Uitkeringsduur niet duidelijk
De groothandel neemt met de uitspraak geen genoegen en gaat in hoger beroep. Het gerechtshof in de residentie concludeert dat op diverse polisbladen afwisselend een uitkeringsduur van 26 en 52 weken wordt genoemd. Daarmee is niet aangetoond dat de uitkeringsduur steeds op 52 weken stond. Wel overweegt het hof dat de adviseur driemaal per jaar contact had met de groothandel en dat de verzekeringszaken bij de groothandel een tijdlang door een plaatsvervanger werden behartigd, die weinig verstand had van verzekeringen.

“Deze omstandigheden brengen mee dat van de adviseur een actieve houding mocht worden verwacht teneinde na te gaan, of de door het bedrijf afgesloten verzekeringen voldeden aan hetgeen zij in geval van een calamiteit nodig hadden.”

Het hof constateert dat niet is gebleken dat de adviseur heeft besproken of de uitkeringstermijn van 26 weken nog wel voldoende was toen bleek dat het bedrijf groeide en inmiddels ook een productiebedrijf was geworden. Omdat op enig moment (in 2007) een uitkeringstermijn van 52 weken is vermeld op het polisblad, mocht de verzekerde erop vertrouwen dat die termijn juist was.

“Dat de polis een fout bevatte, is de adviseur kennelijk ontgaan, ook nadat het polisblad in 2008 weer een uitkeringsduur van 26 weken vermeldde. Mede gezien de gewijzigde bedrijfsvoering, had het op de weg van de adviseur gelegen de groothandel voor te lichten over de mogelijkheid te kiezen voor een langere uitkeringsduur, in ieder geval in 2008, toen het de adviseur duidelijk had moeten zijn dat partijen in 2007 ten onrechte van een uitkeringsduur van 52 weken waren uitgegaan. De adviseur heeft aldus aan de verzekerde de mogelijkheid onthouden om een afweging te maken welke uitkeringsduur het meest passend zou zijn geweest.”

Kenbare ondeskundigheid
De adviseur brengt opnieuw het eigen schuld-argument naar voren: de verzekerde sommen van de verzekeringen, waaronder die van de bedrijfsschadeverzekering, waren eenvoudig van het polisblad af te lezen en hadden aanleiding moeten zijn om aanpassing van die sommen te vragen.

Maar het hof gaat daarin niet mee: “Gezien hetgeen hierboven is overwogen omtrent de gang van zaken, in het bijzonder de kenbare ondeskundigheid van de groothandel en het herhaalde verzoek om te bevestigen dat alles in orde was met de verzekeringen, kan de groothandel niet worden tegengeworpen dat zij niet zelf de verzekerde sommen heeft gecontroleerd.”

De adviseur had zelf de dekking moeten controleren, afgezet tegen de bedrijfsvoering. “Niets had er aan in de weg gestaan dat de adviseur de daarvoor benodigde gegevens bij de groothandel had opgevraagd.” De gegevens over 2008 en 2009 zijn pas na de brand opgevraagd.
De schade door de kortere uitkeringsduur wordt door het hof geschat op € 360.000, verminderd met € 7.500 aan bespaarde premie. Dat brengt het te betalen bedrag voor het intermediairbedrijf in totaal op € 709.537 plus wettelijke rente.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.