nieuws

Rabo hoefde horeca-ondernemer niet te behoeden voor falen alarm

Schade

De zorgplicht van de Rabobank als assurantietussenpersoon gaat niet zover dat zij een klant, een horeca-ondernemer, uit zichzelf had moeten attenderen op het feit dat het sluiten van zijn discotheek gevolgen zou kunnen hebben voor de alarmclausule in de polis van zijn brandverzekering. Dat zegt de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad in een conclusie die door de Hoge Raad wordt gevolgd.

Rabo hoefde horeca-ondernemer niet te behoeden voor falen alarm

Het gaat om een klant die in 2003 een café, een cafetaria, een discotheek en een zalencentrum koopt. Via de Rabobank als tussenpersoon wordt een Horeca Risico Polis gesloten met zes verzekeraars. Er geldt een alarmclausule: een ‘werkvaardige’ alarminstallatie is verplicht. Medio 2006 sluit de discotheek. Eind 2006 wordt het faillissement uitgesproken. De netbeheerder sluit de stroom af omdat rekeningen niet zijn betaald. De alarmcentrale laat weten dat de alarminstallatie niet meer functioneert omdat er geen telefoonaansluiting meer is. Begin 2007 verwoest een brand het pand. Oorzaak: brandstichting. De verzekeraars wijzen de schade af op grond van de alarmclausule.

Zorgplicht
Volgens de klant heeft de Rabobank onzorgvuldig gehandeld door na te laten de verzekeraars op de hoogte te stellen van het sluiten van de discotheek en van de leegstand van het pand en door na te laten het telefonisch bericht van de klant dat het alarm zich niet meer in werkende staat bevond, door te geven aan de verzekeraars.

Hoger beroep
De Rabobank erkent dat zij de verzekeraars had moeten inlichten als zij had geweten dat het alarm was uitgeschakeld. Maar volgens de bank is dat telefoontje nooit binnengekomen. De rechtbank geeft de klant gelijk. Hoger beroep volgt. Het Hof stelt dat niet zeker is dat de telefonische mededeling is gedaan en de klant kan het niet bewijzen. Het risico van het gekozen communicatiemiddel (een korte telefonische mededeling zonder enige controle achteraf), ligt in dit geval bij de klant zegt het Hof.

Uit zichzelf
Maar ook al zou het telefoontje niet zijn gepleegd, dan nog vindt de klant dat de Rabobank hem had moeten attenderen op het feit dat bij het wegvallen van de elektriciteit het inbraakalarm zou uitvallen. De Rabobank kende de slechte financiële situatie van de klant en had op basis van haar vakkennis kunnen weten dat de stroom zou kunnen worden afgesloten. Het Hof vindt echter dat de zorgplicht niet zover strekt dat de Rabobank op basis van haar kennis van de financiële situatie van de klant, waaronder begrepen de sluiting van de disco, zich had moeten realiseren dat dit gevolgen zou hebben voor de alarmclausule.

Cassatie
De klant stelt beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van dat beroep. De uitspraak van het Hof blijft in stand. Volgens Langemeijer hoeft het staken van de bedrijfsactiviteiten in een bedrijfspand niet mee te brengen dat de alarminstallatie wordt uitgeschakeld. “De eigenaar van een leegstaande woning of bedrijfspand behoudt belang bij het in werking houden van de alarminstallatie met het oog op het intact houden van de opstallen.” Om deze reden heeft het Hof mogen aannemen dat bekendheid van de Rabobank met de financiële situatie van de klant niet vanzelfsprekend meebracht dat de Rabobank spontaan bedacht behoorde te zijn op het uitschakelen van de alarminstallatie.

Ouderwetse cliënt
Dat de klant al ruim 20 jaar al zijn bankzaken onderbracht bij de Rabobank, die op de hoogte was van al zijn financiële en verzekeringszaken, en dat hij die zaken bovendien volledig aan de bank overliet en nauw contact met de bank onderhield in de periode voorafgaand aan het faillissement mag niet baten. De Advocaat-Generaal benoemt in zijn conclusie kort de relatie tussenpersoon en klant. “Doordat consumenten zich tegenwoordig niet langer opstellen als cliënt van de assurantietussenpersoon, maar zelfstandig op het internet gaan ‘shoppen’ naar de voor hen gunstigste verzekeringen, beschikt een assurantietussenpersoon niet altijd over de bijzondere kennis welke nodig is om aan een verplichting tot spontaan waarschuwen te kunnen voldoen.” De A-G zegt vervolgens dat het in deze zaak nog om een “ouderwetse cliënt gaat, die al zijn verzekeringszaken aan één assurantietussenpersoon heeft toevertrouwd.” Vanuit die gedachte was wel de benodigde bijzondere kennis bij de Rabobank aanwezig, erkent de A-G, maar kan toch niet van de assurantietussenpersoon worden verwacht dat deze kennis maakte dat hij er spontaan rekening mee moest houden dat de stroom zou worden afgesloten en de alarminstallatie dan niet langer zou functioneren.

Reageer op dit artikel