nieuws

Klant klaagt te laat, adviseur gaat vrijuit

Schade

Een verzekerde die jarenlang wachtte met het indienen van een klacht tegen zijn financieel adviseur over zijn ontoereikende arbeidsongeschiktheidsverzekering, heeft bot gevangen bij Hof Arnhem-Leeuwarden. “De consequenties van deze nieuwe verzekering waren hem al geruime tijd voldoende bekend”, aldus het Hof.

Klant klaagt te laat, adviseur gaat vrijuit

De zelfstandige gipswandenafwerker had bij Univé een arbeidsongeschiktheidsverzekering lopen, met eindleeftijd 60 jaar. Al zijn andere verzekeringen liepen via een tussenpersoon die voorstelde ook de aov via hem te regelen. Per oktober 2001 werd een nieuwe aov gesloten bij Woudsend met eindleeftijd 50 jaar.
Begin 2006 deed de klant bij zijn adviseur melding van arbeidsongeschiktheid wegens een versleten rug en nek. ASR kende per augustus 2006 een uitkering toe naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 50%. Uit een handgeschreven brief, op 29 november 2006 gedateerd, blijkt dat de klant zorgelijk is over de polis na een medisch consult dat hij begin 2006 onderging. “(…) Aangezien ik maar 25% van mijn inkomen heb verzekerd, met een eigen risico van één jaar, en afloopt op mijn vijftigste verjaardag, kunt U zich voorstellen, dat ik enigszinds verward zijn spreekkamer ben uitgelopen.” Uit het arrest wordt overigens niet duidelijk aan wie deze brief is gericht.

Aansprakelijk
Ruim vier jaar later, bij brief van 29 december 2010, stelt de klant zijn adviseur aansprakelijk. Hij voert aan dat de adviseur zijn zorgplicht heeft geschonden omdat de verzekering bij Woudsend niet passend was. Als bouwvakker liep hij een verhoogd risico op arbeidsongeschiktheid en bovendien droeg hij de last van een hoge hypothecaire, aflossingsvrije lening van € 546.857. De leeftijdgrens vanaf zijn 50ste hield voor hem op zichzelf al een onaanvaardbaar risico in. Het lag op de weg van de adviseur met wie hij een zogenoemde totaalrelatie had, om een dergelijke verzekering niet te adviseren of te waarschuwen voor de risico’s, zo betoogt de klant.
Klachtplicht
De adviseur verdedigt zich met een beroep op de schending van de in artikel 6:89 BW geregelde klachtplicht: wie niet tijdig klaagt over een gebrek in een prestatie, verliest zijn rechten om een beroep op dit gebrek te doen. Op grond van dat artikel gaat de klachttermijn pas lopen op het moment dat de klant de schendingen van de zorgplicht redelijkerwijs had moeten ontdekken. Het Hof verwijst daarvoor naar de brief die de klant schreef. “Daaruit blijkt dat de klant zich al rond de jaarwisseling van 2005/2006 realiseerde dat hij slechts 25% van zijn inkomen had verzekerd, met een eigen risico van één jaar, en dat die verzekering zou aflopen op zijn vijftigste verjaardag.” De klachttermijn is daarom op dat moment gaan lopen.

Bewijspositie
Het Hof oordeelt tevens dat de adviseur door het lange wachten van de klant in haar bewijspositie is geschaad. “Ten eerste wordt het door het verstrijken van de tijd immers moeilijk voor de adviseur om zich de gang van zaken ten aanzien van het mondelinge overleg tussen hem en de klant te herinneren; ten tweede is aannemelijk dat de adviseur na verloop van meer dan vier jaar sinds januari 2006 niet meer beschikt over de volledige administratie uit de jaren 2001 en verder.” Dat betekent, aldus het Hof, dat het beroep op schending van de klachtplicht moet worden gehonoreerd.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.