blog

Kleine pensioenen niet meer afkopen, een stap vooruit voor iedereen

Pensioen 3258

Staatssecretaris Klijnsma is van plan om het recht op afkoop van kleine pensioenen te vervangen door het recht om deze pensioenen over te dragen naar de nieuwe uitvoerder en de plicht om dit te accepteren. Zo wil ze voorkomen dat deelnemers te weinig pensioen overhouden bij veel kortlopende dienstverbanden. Daarbij lijkt gelukkig deze keer vooraf goed nagedacht te zijn over de administratieve gevolgen.

Kleine pensioenen niet meer afkopen, een stap vooruit voor iedereen

Werknemers met een pensioen onder de afkoopgrens (in 2016 € 465,94 bruto per jaar) die uit dienst gaan bij de werkgever waar ze dat pensioen opbouwden, kunnen momenteel worden geconfronteerd met afkoop. Pensioenuitvoerders hebben namelijk het recht om een ‘klein pensioen’ af te kopen, binnen 6 maanden nadat de opbouw van de deelnemer twee jaar is gestopt. Afkoop is (als alle gegevens van de deelnemer bekend zijn) een eenvoudig administratief proces. De afkoopwaarde wordt berekend en na inhouding van loonbelasting overgemaakt naar de ex-deelnemer.

Ongewenst
Klijnsma vindt deze afkoop ongewenst. Zij stelt: “Afkoop van kleine pensioenen bij het einde van het dienstverband komt tienduizenden keren per jaar voor, met zeer grote aantallen in bepaalde sectoren. Vooral voor deelnemers met meerdere kleine (parttime) dienstverbanden, die na het einde van hun deelnemerschap geen gebruik maken van hun recht op waardeoverdracht, kan afkoop aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor hun pensioenopbouw.”

Waardeoverdracht, momenteel een complex proces
Bij een wisseling van werkgever kan een (ex-)deelnemer zelf om overdracht van het pensioen naar de nieuwe uitvoerder verzoeken; van afkoop kan dan geen sprake zijn. Elk jaar worden in Nederland meer dan 100.000 pensioenen overgedragen en dat valt niet mee, waardeoverdracht is een complex administratief proces. Voor zowel de deelnemer, de werkgever als de betrokken uitvoerders kan dit forse administratieve lasten en dus kosten met zich mee brengen.

In sommige gevallen wordt een werkgever daarbij met een bijbetalingsverplichting geconfronteerd. Dit levert het nodige extra werk op. Bij problemen met de dekkingsgraad wordt het proces tijdelijk stilgelegd, ook hierover moet gecommuniceerd worden. Kortom: een waardeoverdracht duurt lang en kost veel arbeidsuren. Tienduizenden extra waardeoverdrachten van kleine pensioenen zou dus zeer forse administratieve consequenties hebben voor de pensioenuitvoerders. Gelukkig is daar in het wetsvoorstel rekening mee gehouden.

Kleine waardeoverdracht kan eenvoudiger

Om de administratieve lasten na het vervallen van de mogelijkheid tot afkoop zoveel mogelijk te beperken, wordt het proces voor een ‘kleine waardeoverdracht’ in het wetsvoorstel zo eenvoudig mogelijk ingericht.

  • Het initiatief komt niet bij de deelnemer, maar bij de overdragende uitvoerder te liggen, net als bij afkoop nu. Er komt geen verplichting tot overdracht, het blijft een recht van de uitvoerder.
  • Aan de deelnemer wordt geen offerte verstrekt en er is geen toestemming van de deelnemer nodig voor deze “kleine waardeoverdracht”. De deelnemer wordt slechts geïnformeerd.
  • De informatie-uitwisseling zal zoveel mogelijk via het pensioenregister verlopen. Daar kan de oude uitvoerder controleren wie de nieuwe uitvoerder is. Verdere details over de informatie-uitwisseling zullen in het wetsvoorstel nader worden uitgewerkt.
  • Er komt voor de ontvangende uitvoerder een acceptatieplicht met betrekking tot de overgedragen waarde.
  • Ook in geval van onderdekking blijft de ‘kleine waardeoverdracht’ mogelijk. De gedachte is dat de bedragen die worden overgedragen dermate gering zijn dat deze de andere deelnemers niet ernstig benadelen.
  • De mogelijke bijbetalingsverplichting voor de werkgever blijft bestaan, ook voor kleine waardeoverdrachten.
  • Zeer kleine pensioenen (minder dan € 2 per jaar) worden niet overgedragen, maar komen te vervallen.

Door al deze maatregelen zal een ‘kleine waardeoverdracht’ voor de overdragende pensioenuitvoerder (zeker na enige automatisering) niet veel meer werk opleveren dan de huidige afkoop-optie. De waarde wordt immers dan niet meer netto aan de deelnemer overgemaakt, maar gaat bruto over naar de nieuwe uitvoerder, die er een aanspraak voor in het systeem boekt. Voor de ontvangende uitvoerder is het inboeken van de binnenkomende waarde wel extra werk, maar worden de administratieve lasten door de beperkte communicatie zo laag mogelijk gehouden. Voor uitvoerders is communicatie via het pensioenregister veel beter uitvoerbaar, dan het navragen van de gegevens (zoals het bankrekeningnummer) bij de deelnemer.

En het kan nog eenvoudiger…
Het nieuwe proces voor een “kleine waardeoverdracht” zou helemaal goed uitvoerbaar worden als:

  • De mogelijke bijbetalingsverplichting van de werkgever komt te vervallen. Om in de trend van het wetsvoorstel te blijven redeneren, bij afkoop geldt nu immers ook geen verplichting tot bijbetaling;
  • De grens waaronder het pensioen vervalt iets hoger komt te liggen. De vergelijking die de staatssecretaris in haar Kamerbrief maakt tussen het niet terugstorten van teveel betaalde belasting en het laten vervallen van zeer kleine pensioenen gaat mank. Het terugbetalen van belasting is toch echt minder werk dan een aanspraak in het systeem boeken. Het is onwenselijk dat de kosten van overdracht hoger worden dan de over te dragen waarde;
  • In de nadere invulling van de wetgeving voldoende rekening wordt gehouden met de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om dit proces te kunnen automatiseren (denk aan geautomatiseerde communicatie en overdracht);
  • De overdracht van kleine pensioenaanspraken op verzoek van de deelnemer via hetzelfde proces uitgevoerd wordt, of als deze optie komt te vervallen. Anders ontstaan er twee vormen van waardeoverdracht van klein pensioen naast elkaar (op verzoek van de deelnemer binnen 2 jaar en op initiatief van uitvoerder na 2 jaar), met zeer verschillende procedures en kosten en dat is ongewenst. Ik hoop dat bij de uitwerking van het wetsvoorstel rekening wordt gehouden met deze problematiek.

Oog voor uitvoerbaarheid een nieuwe trend?
Op Prinsjesdag werden ook al enkele (fiscale) maatregelen aangekondigd die de uitvoering eenvoudiger maken:

  • Pensioenuitkeringen die ingaan op de eerste van de maand (i.p.v. de verjaardag) hoeven niet herrekend te worden.
  • De 100%-grens (bovenmatigheid) hoeft niet langer gecontroleerd te worden.
  • Doorwerkvereiste bij uitstel van pensionering komt te vervallen.

Hopelijk is oog voor uitvoerbaarheid bij wetswijzigingen een nieuwe trend. Het zou mooi zijn als ook door het volgende kabinet bij toekomstige wijzigingen in de wetgeving een dergelijke benadering wordt gekozen. Een eenvoudigere (en daarmee voordeligere) uitvoerbaarheid is immers in het belang van alle deelnemers.

Reageer op dit artikel