nieuws

Examentraining (64): Wft basis

Branche 2377

Nu de nieuwe PE-periode loopt, is ook het blokken, studeren en oefenvragen maken weer begonnen. Iedereen die een Wft-beroepskwalificatie (behaald voor 1 april 2017) in stand wil houden, moet voor 1 april 2019 succesvol het relevante PE-examen afleggen. Samen met opleidingsinstituut Hoffelijk Financieel biedt am:web adviseurs opnieuw de helpende hand door tweewekelijks een volledig uitgewerkte casus aan te bieden. Daarnaast biedt Hoffelijk Financieel adviseurs gratis de mogelijkheid om extra te oefenen met nieuwe casussen en kennisvragen. Deze week een casus met vragen uit de module Wft basis.

Examentraining (64): Wft basis

Casus
Jesse (31) is sinds zijn scheiding vorig jaar een alleenstaande man. Hij heeft geen kinderen overgehouden aan het huwelijk en probeert weer orde op zaken te stellen. Jesse heeft een afspraak ingepland met de adviseur Wft Basis om zijn huidige financiële situatie door te nemen.

Jesse werkt als fulltime pretparkmedewerker. Hier is hij verantwoordelijk voor het onthaal van de bezoekers op de attractie. Hij moet ervoor zorgen dat de bezoekers veilig geïnstalleerd zijn, de veiligheidsharnassen goed zitten en de attractie in beweging wordt gezet. Daarnaast heeft hij enkele leidinggevende taken. Jesse verdient € 2.500 bruto per maand.

Eigen woning

Momenteel heeft Jesse een eigen woning waar hij nog maar € 300 per maand voor betaalt, aangezien hij vorig jaar een deel van zijn hypothecaire lening heeft afgelost. Hierdoor houdt hij meer geld over dan vroeger, waardoor hij kan sparen.

Jesse heeft in het verleden veel bezittingen geërfd van zijn ouders. Hierdoor heeft hij in totaal de volgende bezittingen:

  • Een eigen woning met een marktwaarde van € 200.000 (WOZ-waarde: € 170.000) en een aflossingsvrije hypothecaire lening van € 100.000 met een rente van 3,6%;
  • Een boot met een waarde van € 30.000 waarmee hij in zonnige weekenden met vrienden gaat varen;
  • Aandelen (7%) in RoodRechts B.V. ter waarde van € 28.000;
  • Obligaties met een waarde van € 15.000;
  • Een spaarrekening met een rente van 0,8%, waar € 30.000 op staat.

Doelstelling

Nu Jesse wat meer geld overhoudt in de maand, wil hij graag doorsparen tot hij een bedrag van € 100.000 heeft, om daarmee een vakantiewoning aan te kopen van € 200.000. De andere € 100.000 wil hij tegen die tijd graag lenen.

Vraag 1
Jesse constateert dat hij over zijn spaargeld € 240 aan rente heeft ontvangen, maar hij over een ander bedrag belast wordt. Hij vraagt zich af wat het uitgangspunt in 2017 is. Wat is de meest professionele en juiste reactie van de adviseur?

a) “Als uitgangspunt wordt het gemiddelde rendement op spaargeld over vijf jaar en van beleggingen over vijftien jaar genomen. Hoe meer vermogen, des te meer er gekeken wordt naar de rendementen op beleggingen.”
b) “Als uitgangspunt wordt gekeken naar de gemiddelde rendementen van de afgelopen vijf jaren op spaargeld tot een vermogen van € 75.000 en het gemiddelde langetermijnrendement op beleggingen vanaf een vermogen van € 75.000.”
c) “Als uitgangspunt wordt naar het gemiddeld rendement op spaargeld en beleggingen gekeken. Daarvan wordt 30% belast.”
d) “Het kabinet heeft het fictief rendement bepaald aan de hand van de verwachtingen op het gebied van rendementen op spaargeld en beleggingen voor het aankomend jaar. Bij het vaststellen van de rendementen wordt advies ingewonnen bij het Centraal Planbureau.”

Toetsterm
1a.8: De kandidaat kan de onderstaande begrippen binnen de inkomstenbelasting omschrijven:

  • Box 1 belastbaar inkomen uit werk en woning: winst uit onderneming, loon (begrip loon), resultaat overige werkzaamheden, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, inkomsten uit eigen woning;
  • Box 2 belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang;
  • Box 3 belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: bezittingen, schulden, heffingsvrij vermogen, vrijstellingen.

Vraag 2
Welk van de onderstaande bezittingen van Jesse vallen in box 3? Let op: meerdere antwoorden kunnen juist zijn.

a) Zijn eigen woning.
b) Zijn boot.
c) Zijn aandelen.
d) Zijn obligaties.
e) Zijn spaarrekening.

Toetsterm
1a.8: De kandidaat kan de begrippen binnen de inkomstenbelasting omschrijven, zie ook de toetsterm onder vraag 1. 

Vraag 3
Stel dat Jesse al zijn vermogen in box 3 liquide maakt en het totaal inzet in zijn gewenste vakantiehuis ter waarde van € 200.000. De helft komt uit eigen vermogen, de andere helft leent hij bij een bank. Welk bedrag betaalt Jesse dan aan inkomstenbelasting in box 3? Gebruik voor het beantwoorden van deze vraag de bijlage.

Antwoord: […]

Toetsterm
2a.1: Eenvoudige berekeningen maken.

 

Banner Hoffelijk Antwoorden

Banner Hoffelijk Meer oefeningen

Eerdere examentrainingen zijn hier te vinden.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.