nieuws

Hoever strekt het begrip ‘openbare weg’?

Branche 1286

Op 3 januari 2009 komt een vrouw (eiseres in cassatie) ten val op de stoep van de Burchtstraat in Nijmegen. De vrouw stelt gestruikeld te zijn over een of meer stroomkabels die daar die dag door marktkraamhouders zijn neergelegd. Deze kabels liepen van een elektriciteitskast (van de gemeente) aan de ene (gevel)zijde van de stoep van de Burchtstraat naar de marktkramen aan de andere zijde van de stoep. Als gevolg van deze val heeft mevrouw letsel opgelopen aan haar knieën.

Hoever strekt het begrip ‘openbare weg’?
DSC images.

Eiseres stelt de gemeente op grond van de artikelen 6:174 en 6:162 BW voor haar schade aansprakelijk. In eerste aanleg heeft rechtbank Gelderland de vorderingen afgewezen. De gemeente werd op grond van voornoemde artikelen niet aansprakelijk geacht. Het hof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigt vervolgens op 3 maart 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:1498) het vonnis van de rechtbank.

Openbare weg
In (het vervolg van) deze zaak staat niet ter discussie dat sprake is van een openbare weg en dat de openbare weg (waarvan de stoep ook onderdeel uitmaakt) een opstal is ex artikel 6:174 BW. Overigens is reeds eerder op onze kennispagina uiteengezet welke vereisten gelden voor het aansprakelijk stellen van de wegbeheerder voor schade ten gevolge van een onvoldoende onderhouden (openbare) weg.

Wel ter discussie staat (in cassatie) de vraag of de stroomkabels en de – door de gemeente geplaatste – elektriciteitskasten deel uitmaken van de weguitrusting en dus van de openbare weg. In dat geval had het hof – volgens eiseres – immers behoren te onderzoeken of deze inrichting van de weg voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen.

Op grond van artikel 6:174 lid 6 BW vallen ook voorwerpen die op, naast of boven de verkeersbaan zijn aangebracht en die dienen ter inrichting van de verkeersbaan voor het verkeersgebruik onder het begrip opstal in de zin van artikel 6:174 BW. (Parlementaire Geschiedenis Inv. 3, 5, 6 Boek 6, p. 1393). Hierbij kan men – onder meer – denken aan vangrails, bussluizen, wildroosters, reflectorpaaltjes en bewegwijzeringsborden. De vraag is of dit ook geldt voor stroomkabels en/of elektriciteitskasten.

Stroomkabels en elektriciteitskasten
Allereerst benadrukt de Hoge Raad in zijn arrest van 7 oktober 2016 dat een aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW beoordeeld dient te worden aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in (onder meer) HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 (Wilnis), r.o. 4.4.3. Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik)). In het kader van artikel 6:174 dient men – anders dan bij artikel 6:162 BW – ook te kijken naar welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn van in dit geval de gemeente.

Over voornoemde stroomkabels en elektriciteitskasten oordeelt de Hoge Raad (in lijn met het hof) als volgt:
3.3.1 Stroomkabels die ter plaatse worden neergelegd door marktlieden als er markt is, maken geen deel uit van de opstal, nu zij niet vast zijn verbonden met de weg of de weguitrusting en niet dienen ten behoeve van enige functie van de weg. Ook de elektriciteitskasten, hoewel permanent aanwezig en vast verbonden met het wegdek en geplaatst door de Gemeente, maken geen deel uit van de weg(uitrusting), omdat zij niet zijn geplaatst ten behoeve van de weg of van het verkeersgebruik.”

Dit oordeel van de Hoge Raad is in lijn met (zijn) eerdere rechtspraak. Vgl. bijvoorbeeld HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2202 (Rook/Staat) met betrekking tot ijzel op de weg. De wegbeheerder kan aldus slechts aansprakelijk zijn voor gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg (zie r.o. 3.5.4). De klacht van eiseres faalt in cassatie.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW?
Volgens de Hoge Raad (r.o. 3.5.5) kan de wegbeheerder voor de aanwezigheid van dergelijke, – niet van de weg, het weglichaam of weguitrusting deel uitmakende -, voorwerpen op de weg wel aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 BW. Ten aanzien van deze grondslag dient toetsing aan de ‘kelderluikcriteria’ plaats te vinden. De Hoge Raad volgt in cassatie echter de motivering van het hof; het oordeel van het hof is begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Bovendien heeft het hof de ‘kelderluikcriteria’ juist toegepast.

Conclusie
Kortom: de gemeente Nijmegen wordt niet aansprakelijk geacht tegenover eiseres.

Auteur: Letske Hofstra

Reageer op dit artikel