nieuws

De Wet verbeterde premieregeling bijna een feit, maar zijn we voldoende voorbereid?

Branche 923

Per 1 september 2016 treedt de Wet verbeterde premieregeling in werking. Een wet met verstrekkende consequenties voor zowel een grote groep deelnemers, pensioengerechtigden, werkgevers als pensioenuitvoerders. Over deze wet is opvallend genoeg nog weinig geschreven. Bovendien is veel informatie achterhaald, doordat de Wet verbeterde premieregeling uiteindelijk een resultante is van twee andere wetsvoorstellen (Wet uitbetaling pensioen in pensioeneenheden en de Wet variabele pensioenuitkering).

De Wet verbeterde premieregeling bijna een feit, maar zijn we voldoende voorbereid?

Lopende het wetgevingsproces is er het nodige aan het wetsvoorstel geschaafd, waardoor het zeer goed denkbaar is dat momenteel onvoldoende helder is wat de Wet verbeterde premieregeling exact inhoudt en welke praktische gevolgen deze wet heeft voor de betrokkenen in de pensioenwereld. Deze bijdrage beoogt hier meer inzicht in te verschaffen. Daarnaast zal ik in deze bijdrage een aantal kritische kanttekeningen plaatsen bij de nieuwe pensioenwetgeving, nu er nog steeds een aantal onduidelijkheden bestaat en ik een aantal moeilijkheden voorzie in de praktijk. Aanleiding wetsvoorstel
Een belangrijke pensioenontwikkeling is dat risico’s, zoals een beleggingsrisico, langlevenrisico en renterisico steeds meer bij de deelnemers komen te liggen. Werkgevers kiezen steeds vaker voor een zogenoemde beschikbare premieregeling in plaats van een uitkeringsovereenkomst. In een notendop weten deelnemers bij een zuivere premieovereenkomst vooraf (dus tijdens de opbouwfase) niet hoe hoog hun pensioenuitkering te zijner tijd exact wordt, omdat dit afhankelijk is van welk rendement op de ingelegde premies wordt behaald, de rentestand en de levensverwachting op de aankoopdatum van de pensioenuitkering (pensioeningangsdatum). Gedurende de opbouwfase tot en met het aankoopmoment liggen het beleggings-, langleven- en renterisico dus bij de deelnemer. Pas tijdens de pensioenuitkeringsfase wordt dit risico verlegd naar de pensioenuitvoerder. Werkgevers zeggen bij de  premieovereenkomst niet meer toe dan dat een bepaald premiebedrag wordt afgedragen aan de pensioenuitvoerder. Bij een uitkeringsovereenkomst daarentegen is de uiteindelijke pensioenuitkering vooraf bepaald, op basis van onder meer het loon. Daarbij is voor de pensioenuitkering niet relevant wat de hoogte is van de rente op de pensioeningangsdatum of hoezeer de premiebedragen hebben gerendeerd. Het risico ligt dan dus ook al tijdens de opbouwfase bij de uitvoerder en niet bij de deelnemer, met dien verstande dat juist vanwege dit aspect uitkeringsovereenkomsten zodanig kostbaar  zijn geworden dat werkgevers besluiten om over te stappen naar premieovereenkomsten. Op dit moment zijn er ongeveer 1 miljoen mensen met een beschikbare premieregeling of kapitaalregeling.

Twee knelpunten
Hoewel er dus sprake is van een toenemend aantal premieovereenkomsten, kleeft tegelijkertijd binnen de huidige maatschappelijke context een tweetal belangrijke knelpunten aan zo’n premieovereenkomst. Knelpunten waarvoor (gewezen) deelnemers die momenteel met pensioen gaan of recent met pensioen zijn gegaan, een forse rekening betalen. De rente op basis waarvan met het beschikbaar gestelde kapitaal op de pensioendatum een levenslange uitkering moet worden aangekocht, is momenteel namelijk zodanig laag dat pensioengerechtigden een fors lagere pensioenuitkering kunnen inkopen. Die pensioenuitkering staat dan levenslang vast, zelfs indien de rente in de komende jaren alsnog gaat stijgen. Een pensioengerechtigde is dus volledig afhankelijk van de rentestand op het moment van aankoop van de levenslange vaste pensioenuitkering. De lage rentestand in combinatie met de (huidige) wettelijke pensioenverplichting om met het pensioenkapitaal in één keer een periodieke levenslange uitkering aan te kopen (die dus niet daarna nog kan variëren) vormen een groot probleem, dat ook door de wetgever onderkend wordt.

Een ander knelpunt ziet op de beleggingen. Deelnemers kunnen niet gedurende de pensioenopbouw tot aan hun pensioen risicovol beleggen, omdat de pensioenuitvoerder moet beleggen volgens het zogenaamde prudent person-beginsel. Als gevolg hiervan moet er volgens een life cycle belegd worden, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat er – naarmate de pensioendatum nadert – minder risicovol belegd kan worden (de beleggingshorizon is dan immers minder groot). Tegelijkertijd blijkt uit onderzoek dat risicovoller  beleggen uiteindelijk kan resulteren in een hoger resultaat. Met andere woorden: het prudent person-beginsel kan uiteindelijk in de weg staan aan het behalen van een optimaal rendement. Dat is in het bijzonder jammer, omdat die beleggings­horizon automatisch groter is, indien pensioengerechtigden na het ingaan van de pensioenuitkering zouden kunnen door beleggen. Dat is nu nog niet mogelijk, omdat, zoals gezegd, de pensioenuitkering definitief vastgesteld moet worden op het aankoopmoment (de pensioendatum). Zolang dat wettelijk voorschrift geldt, kan er dus niet optimaal geprofiteerd worden van de beleggingen. Er moet immers eerder afgebouwd worden in de beleggingen. Ook dit aspect heeft de wetgever onder ogen gezien en laten terugkomen in de Wet verbeterde premieregeling.

Uitgangspunten Wet verbeterde premieregeling

-Keuzemogelijkheid

De Wet verbeterde premieregeling biedt meer mogelijkheden voor werknemers met een beschikbare premieregeling of een kapitaalovereenkomst (hierna: premieovereenkomst). Waar de situatie zoals geschetst nu nog zo is dat op het moment van pensionering een geldelijk vaste pensioenuitkering moet worden vastgesteld, wordt onder de Wet verbeterde premieregeling een keuzemogelijkheid geïntroduceerd tussen enerzijds een geldelijk vastgestelde pensioenuitkering en anderzijds een variabele pensioenuitkering. Deze keuzemogelijkheid tussen een vastgestelde uitkering of een variabele uitkering staat in het nieuwe artikel 63b van de Pensioenwet. Op grond hiervan moet de pensioenuitvoerder de (gewezen) deelnemer in elk geval voorafgaand aan de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan ingaan de keuze voorleggen tussen een vastgestelde uitkering of  een variabele uitkering. Bij het voorleggen van deze keuzemogelijkheid moet de pensioenuitvoerder de (gewezen) deelnemer tevens wijzen op alle relevante informatie over de gevolgen en risico’s van deze keuze. Tevens moet de pensioenuitvoerder vermelden binnen welke termijn de (gewezen) deelnemer moet kiezen. Bij het uitblijven van een keuze, wordt automatisch overgegaan tot de vastgestelde uitkering (derhalve de huidige variant). Met andere woorden: de vaste pensioenuitkering blijft het uitgangspunt, tenzij de (gewezen) deelnemer binnen de gestelde termijn kiest voor een variabele pensioenuitkering.

Betekent het voorgaande dan dat de pensioenuitvoerder altijd verplicht is om naast de vastgestelde uitkering tevens de mogelijkheid te bieden van een variabele uitkering? Dit is niet het geval. De pensioenuitvoerder mag zich beperken tot één van deze twee mogelijkheden. Wel geldt in zo’n situatie dat (gewezen) deelnemers een uitgebreider shoprecht hebben, in die zin dat zij ook de mogelijkheid hebben om de regeling onder te brengen bij een andere pensioenuitvoerder (dus te opteren voor waardeoverdracht) die wel beide mogelijkheden biedt. De Wet verbeterde premieregeling voorziet in dit verband in een uitbreiding van het shoprecht, nu op basis van de huidige wetgeving het shoprecht niet bestaat voor zover de pensioenregeling is ondergebracht bij een pensioenfonds.

-Varianten binnen variabele pensioenuitkering

Bínnen de (geïntroduceerde) mogelijkheid van een variabele pensioenuitkering, bestaat op basis van de Wet verbeterde premieregeling ook weer een aantal varianten. Zo kan de jaarlijkse uitkering ook bestaan uit pensioeneenheden (beleggingseenheden) in plaats van uit euro’s. Daarnaast kan een deelnemer straks kiezen tussen een individuele en een collectieve variabele pensioenuitkering. Dit aspect ziet erop of de verwerking van financiële mee- of tegenvallers als gevolg van (1) beleggingsrisico, (2) de ontwikkeling van sterfteresultaten en/of (3) de ontwikkeling van een levensverwachting individueel dan wel collectief gedragen worden. Financiële mee- of tegenvallers als gevolg van een beleggingsrisico of de ontwikkeling van een levensverwachting mogen op basis van de Wet verbeterde premieregeling ook door middel van een collectief toedelingsmechanisme worden verwerkt. Over deze collectieve toedeling staan nadere regels in onder andere het vijfde, zesde en zevende artikellid van artikel 63a Pensioenwet. Hieruit blijkt onder andere dat jaarlijks het financiële resultaat vastgesteld en verwerkt wordt, dat het collectief toedelingsmechanisme moet worden toegepast op een toedelingskring (groep) van pensioengerechtigden (en/of deelnemers in de periode van tien jaar voorafgaand aan de pensioendatum) en dat een spreidings­periode mag worden gehanteerd van maximaal 5 jaar.

Een andere variant binnen de variabele uitkering ziet erop dat ook de variabele uitkering op een bepaalde manier mag variëren. Dit staat verwoord in het derde lid van artikel 63a Pensioenwet. De variatie vindt dan plaats door een uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen vastgestelde periodieke vaste daling van de uitkering.

-Projectierente

Zowel in geval van individuele toedeling als collectieve toedeling moet als projectierente worden uitgegaan van de risicovrije rente (de door DNB gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur). De projectierente is een instrument om te kunnen bepalen hoe hoog het pensioen is dat op basis van het beschikbare kapitaal naar verwachting levenslang kan worden uitgekeerd. Hoe hoger de projectierente des te hoger de initiële pensioenuitkering, maar tegelijkertijd des te groter het risico dat de pensioenen neerwaarts gaan variëren. De kans dat het uiteindelijk te behalen rendement de projectierente gaat overstijgen neemt dan immers af. In het wetgevingsproces is veel te doen geweest over welke projectierente gehanteerd moet worden. Uiteindelijk heeft de wetgever, in navolging van een aangenomen amendement, ervoor gekozen om op “safe” te gaan, door de risicovrije rente als projectierente te hanteren. Omdat deze rente momenteel zeer laag is, is de verwachting dat de uiteindelijke rendemente deze rente kunnen benaderen of overstijgen. De kans op dalende pensioenuitkeringen (of een verlegging van dit risico naar volgende generaties, als gevolg van de spreidingsmethodiek) neemt daardoor af.

Gevolgen deelnemers
Kortom: er bestaat voor de deelnemer veel meer te kiezen onder de Wet verbeterde premieregeling, waarbij het in een notendop een keuze betreft tussen zekerheid en risico. Er waren al keuzemogelijkheden, zoals de mogelijkheid van een hoger of een eerder ingaand ouderdoms-pensioen, de uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen en omgekeerd en de variatie in de hoogte van de uitkering in de verhouding 100:75. Voorts was er al de tussentijdse mogelijkheid van een pensioenknip, waarbij niet gelijk een levenslange pensioenuitkering hoeft te worden aangekocht, maar de eerste aankoop beperkt kan worden tot een periode van vijf jaar. De wetgever heeft deze keuzemogelijkheden, gezien de problematiek omtrent (met name) de rentestand en het nadeel van de beperktere beleggingshorizon echter onvoldoende bevonden en heeft daarom de keuzemogelijkheden uitgebreid in de Wet verbeterde premieregeling. Daarbij geldt nog steeds als uitgangspunt de vaste pensioenuitkering, maar kunnen deelnemers tevens opteren voor een variabele pensioenuitkering, waarbij dus ook tijdens de uitkeringsperiode (na de pensioendatum) het rente-, beleggings- en langlevenrisico (al dan niet via een collectief toedelingsmechanisme) bij de deelnemer wordt neergelegd. De deelnemer draagt dan niet alleen tijdens de opbouwfase het risico, maar ook tijdens de uitkeringsfase. Daar staat dan echter wel tegenover het voordeel voor de deelnemer van een langere beleggingshorizon (en daarmee volgens onderzoekers ook de kans op een hoger beleggingsresultaat) en de beperktere afhankelijkheid van de rentestand exact op het moment van de pensioeningangs­datum.

De Wet verbeterde premieregeling lijkt dus een mooie oplossing te bieden voor huidige knelpunten, echter een behoorlijk aantal pensioengerechtigden heeft al de rekening van deze knelpunten betaald, doordat ze onlangs verplicht waren om op de pensioeningangsdatum een levenslang vastgestelde pensioenuitkering aan te kopen (tegen een zeer lage rentestand). Kunnen deze pensioengerechtigden niet alsnog tegemoet gekomen worden, door hun bijvoorbeeld alsnog de keuzemogelijkheid van  een variabele pensioenuitkering in plaats van een vaste pensioenuitkering te bieden? Bij amendement is geprobeerd deze mogelijkheid te introduceren, echter dit amendement is verworpen. Wel heeft staatssecretaris Klijnsma hierover afspraken gemaakt met het Verbond van Verzekeraars, waarbij het Verbond van Verzekeraars zijn leden zal adviseren voor gepensioneerden die in de periode van 1 januari 2014 tot en met 7 juli 2015 pensioengerechtigd zijn geworden (en tevens geen gebruik konden maken van de mogelijkheid van een pensioenknip, nu deze mogelijkheid in die periode niet bestond) alsnog de mogelijkheid te bieden het al ingegane vaste pensioen om te zetten naar een variabele pensioenuitkering. Het bestaande pensioen wordt dan contant gemaakt en het daarmee verkregen kapitaal kan dan alsnog benut worden voor een variabele uitkering volgens de nieuwe wetgeving. Een en ander is echter nog niet uitgekristalliseerd en er bestaat nog altijd onduidelijkheid of pensioenuitvoerders deze groep gepensioneerden daadwerkelijk deze mogelijkheid (moeten) gaan bieden.

Hoe zit het dan met deelnemers die nu aan de vooravond van hun pensioen staan en die wellicht niet zo goed weten wat te kiezen in verband met de naderende implementatie van de Wet verbeterde premieregeling en eventuele onduidelijkheden daaromtrent? Ook hiervoor heeft de wetgever een oplossing geboden. Normaal gesproken moet een deelnemer binnen een redelijke termijn (zijnde  6 maanden) het pensioenkapitaal hebben aangewend voor een levenslang pensioen. Deze redelijke termijn is nu verlengd tot en met 31 december 2016, waardoor deelnemers meer tijdsruimte krijgen om eventuele voor- en nadelen van een variabele pensioenuitkering voor hun concrete situatie te (laten) onderzoeken.

Gevolgen pensioenuitvoerders
Pensioenuitvoerders zijn, zoals gezegd, niet verplicht om daadwerkelijk zowel een vaste als een variabele puitkering aan te bieden. Toch is de verwachting dat pensioenuitvoerders hun producten onder de loep zullen nemen en wellicht zullen uitbreiden met de variant van een variabele pensioenuitkering. Voor zover pensioenuitvoerders deze mogelijkheid namelijk niet bieden, ontstaat het risico dat de deelnemer op zoek gaat naar een andere pensioenuitvoerder, die wel deze mogelijkheid biedt. De variabele pensioenuitkering kan namelijk voordeliger voor deelnemers zijn, met dien verstande dat deelnemers wel bereid moeten zijn om ook tijdens de uitkeringsfase een risico te dragen.

De Wet verbeterde premieregeling zal niet uitsluitend leiden tot een toename aan producten, maar ook tot meer concurrentie op de pensioenuitvoeringsmarkt. Zo kunnen ook PPI’s een variabele pensioenuitkering uitvoeren (omdat bij een variabele pensioenuitkering het PPI zelf geen biometrisch risico draagt, maar het risico nog steeds bij de deelnemers blijft).

Voorts zal de Wet verbeterde premieregeling tot aanvullende communicatieverplichtingen bij de pensioenuitvoerders leiden en tot een verhoogde en anders ingeklede zorgplicht (in het bijzonder omtrent beleggingen). Zonder daarbij uitputtend te willen zijn, volgt hieronder een aantal voorbeelden waaruit van een verhoogde communicatie en/of zorgplicht blijkt:

  • de pensioenuitvoerder moet in ieder geval voorafgaande aan de ingangsdatum van het pensioen de keuze tussen een vaste of variabele uitkering aan de deelnemer voorleggen. Deze verplichting geldt ook voor zover de pensioenuitvoerder niet beide mogelijkheden biedt. In dat geval moet de uitvoerder de deelnemer in ieder geval wijzen op de mogelijkheid van een waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder die wel beide mogelijkheden biedt. De pensioenuitvoerder moet de (gewezen) deelnemer ook op dat moment informeren over de voor de (gewezen) deelnemer relevante informatie omtrent gevolgen en risico’s van deze keuze, waaronder een opgave van de hoogte van de vaste en variabele uitkering;
  • de zorgplicht van de pensioenuitvoerder alsmede het beleggingsbeleid wordt anders, indien de (gewezen) deelnemer een voorkeur heeft voor een variabele in plaats van een vaste uitkering (of toetreedt tot een toedieningskring waarop een collectief toedelingsmechanisme voor het beleggingsrisico wordt toegepast, welke mogelijkheid bestaat 10 jaar vóór de pensioenleeftijd). Dit vloeit voort uit artikel 14a e.v. van het Besluit uitvoering pensioenwet. Voor zover de (gewezen) deelnemer de voorkeur heeft voor een variabele uitkering, wordt de afbouw van het beleggingsrisico afgestemd op een variabele uitkering. In de praktijk zal dit er op neerkomen dat die afbouw minder zal worden, omdat bij een variabele uitkerende de beleggingshorizon verder in de tijd opschuift. Uit de memorie van antwoord maak ik op dat dit volgens de wetgever tot gevolg heeft dat de pensioenuitvoerder de (gewezen) deelnemer nadrukkelijk zal moeten vragen naar zijn voorkeur voor een vaste of een variabele uitkering zodra dit relevant wordt voor de beleggingen;
  • op verzoek moet de pensioenuitvoerder aan de (gewezen) deelnemer informatie verschaffen over een variabele uitkering. Dit vloeit voort uit artikel 44a van de Pensioenwet;
  • indien de pensioengerechtigde opteert voor een variabele uitkering, moet deze jaarlijks worden geïnformeerd, niet uitsluitend over de uitkering over het afgelopen jaar maar ook over de verwachte uitkering voor het komende jaar.

Gevolgen werkgevers

Het is uiteraard de werkgever die samen met zijn werknemer de pensioenovereenkomst aangaat (al dan niet via sociale partners) en dus bepaalt wat de inhoud van de pensioenovereenkomst is. Omdat de variabele pensioenuitkering een variant is binnen de reeds bestaande premieovereenkomst (beschikbare premieregeling dan wel kapitaalovereenkomst), zou als zodanig de pensioenovereenkomst niet direct (wezenlijk) anders hoeven komen te luiden. Daar echter de werkgever in de communicatie richting de deelnemers wellicht tot op heden de indruk heeft gewekt dat er met een premieovereenkomst uitsluitend een levenslange vaste geldelijke pensioenuitkering kan worden aangekocht op de pensioeningangsdatum, zal die communicatie wel moeten worden aangepast. Naast deze mogelijkheid bestaat immers de mogelijkheid van de aankoop van een variabele pensioenuitkering, al dan niet bij de eigen pensioenuitvoerder en de mogelijkheid van een uitkering in pensioeneenheden in plaats van geld. Daarbij verdient het aanbeveling dat werkgevers werknemers tijdig (ruim vóór de pensioeningangsdatum) attenderen op de verruimde mogelijkheden omtrent de aankoop van pensioen en dus de deelnemers adviseren daarover met de pensioenuitvoerder (of een pensioenadviseur) in gesprek te gaan.

Knelpunten en onduidelijkheden
Ook ik zie verschillende knelpunten binnen de huidige pensioenwetgeving en word regelmatig geconfronteerd met teleurgestelde pensioengerechtigden die (met name) als gevolg van de lage rentestand geconfronteerd worden met een fors lagere pensioenuitkering. In die zin juich ik nieuwe pensioenwetgeving toe, waarbij de uiteindelijke hoogte van de pensioenuitkeringen niet afhankelijk is van het moment van pensionering. Tegelijkertijd echter vraag ik me af of de nieuwe pensioenwetgeving daadwerkelijk de oplossing gaat bieden, en wel vanwege meerdere redenen. De variabele pensioenuitkering is niet het uitgangspunt. Nog steeds blijft uitgangspunt de vaste pensioenuitkering, tenzij deelnemers expliciet een andere keuze maken. In zoverre is het maar de vraag of deelnemers daadwerkelijk tot zo’n expliciete keuze overgaan, nu in het verleden bij de introductie van verschillende keuzemogelijkheden (waaronder recent de pensioenknip) is gebleken dat deelnemers daar vaak onvoldoende mee doen. Daar komt bij dat de Wet verbeterde premieregeling zodanig ingewikkeld is, dat de kans op een expliciete keuze voor een variabele pensioenuitkering wellicht alleen maar afneemt.

Daarnaast ben ik bezorgd, daar waar het de vraag betreft of gepensioneerden daadwerkelijk het risico in de uitkeringsfase kúnnen dragen. De insteek is nu dat bij een variabele pensioenuitkering de beleggingshorizon vergroot kan worden en daarmee de kans op een hogere beleggingsopbrengst toeneemt, maar gaat dat daadwerkelijk ook gebeuren? Als de beleggingen tegenvallen, kan het zomaar zo zijn dat gepensioneerden met steeds lagere pensioeninkomsten geconfronteerd worden. Kunnen ze dit wel opvangen? Ze zijn immers in de regel niet langer werkend, dus zo eenvoudig valt een inkomensterugval niet te compenseren. Weliswaar heeft de wetgever mede met het oog hierop voor een voorzichtige benadering gekozen door als projectierente de risicovrije rente te hanteren (overigens wel met als nadeel dat pensioengerechtigden dan wederom met een initieel lagere pensioenuitkering geconfronteerd worden als gevolg van de lage rente), maar zeker daar waar deelnemers opteren voor een variabele uitkering met een vaste daling is het maar zeer de vraag of deze daling voldoende gecompenseerd kan worden met overrendement.

Daarnaast vrees ik, met kamerlid Omtzigt die hierover een amendement heeft ingediend (dat verworpen is), voor risicoselectie. Uitbreiding van het shoprecht in de zin dat ook pensioenfondsen daaronder vallen, lijkt weliswaar positief, maar de keuzevrijheid voor de deelnemer kan tot risicoselectie leiden.

Een wellicht nog belangrijker bezwaar is dat deelnemers mogelijk door de bomen het bos niet meer zien. Het systeem wordt er zeker niet gemakkelijker op, terwijl veel deelnemers al onvoldoende pensioenbewust zijn. Deelnemers vinden het in de praktijk vaak lastig om de verschillen tussen een premieovereenkomsten versus een uitkeringsovereenkomst te bevatten, maar nu komen binnen de premieovereenkomst nog verschillende nieuwe varianten met ingewikkelde (collectieve en individuele) toedelingsmechanismen aan de orde. Hoe valt dit op begrijpelijke wijze uit te leggen? En hoe kan een pensioengerechtigde inschatten wat voor hem of haar de beste optie is? Het blijft namelijk allemaal toekomstmuziek; we weten niet zeker of daadwerkelijk met een langere beleggingshorizon de beleggingsresultaten zullen toenemen en evenzeer brengt een almaar stijgende levensverwachtingen risico’s met zich. Natuurlijk bestaat er een kans dat de situatie in de toekomst rooskleuriger wordt, maar weegt dat daadwerkelijk op tegen het risico dat pensioengerechtigden lopen met de variant van een variabele uitkering, zeker omdat zij dit risico wellicht minder makkelijk kunnen opvangen dan tijdens hun werkende bestaan? Ik betwijfel dat.

Voorts roept de nieuwe wetgeving onduidelijkheden bij mij op, zeker daar waar het de rollen van de pensioenuitvoerder en de werkgever betreft. Zo vermeldt de Wet verbeterde premieregeling dat de pensioenuitvoerder “in elk geval” de deelnemer moet informeren voorafgaand aan de pensioeningangsdatum over de keuzemogelijkheid tussen de vaste en variabele uitkering. Moet die bepaling zo worden opgevat, dat op andere momenten geen informatieverplichting geldt? En voor zover dat het geval is, hoe verhoudt zich dit dan tot de zorgplicht van de pensioenuitvoerder, waaruit (mede in het licht van het Besluit uitvoering pensioenwet) voortvloeit dat deelnemers moeten worden geïnformeerd zodra de keuze tussen een vaste of variabele uitkering van directe invloed is op de beleggingen? Die situatie doet zich namelijk al voor ruim voorafgaand aan de pensioeningangsdatum, dus gewoon tijdens de deelneming. In het verlengde daarvan: is het wel juist om de uitbreiding van het shoprecht (en daarmee de waardeoverdracht) te beperken tot de situatie waarin een keuzemogelijkheid tussen een vaste en variabele uitkering op de pensioeningangsdatum blijkt te ontbreken? Zou dit niet al eerder het geval moeten zijn, namelijk in de opbouwfase voor zover die keuze van invloed is of kan zijn op de beleggings­mogelijkheden?

Daarnaast is voor mij niet helder wat nu exact van de werkgever verlangd wordt in het kader van de toepassing van de Wet verbeterde premieregeling. Het lijkt erop dat de rol van de werkgever beperkt is en niet veel verder gaat dan (mede vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap) het informeren over de toegenomen mogelijkheden op het moment van pensionering. Tegelijkertijd twijfel ik bij het trekken van deze conclusie, nu er bijvoorbeeld ook een amendement is aangenomen (amendement De Vries), waaruit volgt dat de werkgever met de werknemer kan overeenkomen dat de hoofdregel wordt een variabele uitkering (in plaats van een vaste uitkering) indien sprake is van een pensioenfonds dat uitsluitend de variabele pensioenovereenkomst met collectieve risicodeling voor beleggingsrendement, als mogelijkheid biedt. Ook is niet helemaal duidelijk in hoeverre het pensioenfonds in deze steeds leidend is, of dat dit juist werkgever en werknemers zijn. Zo geldt bijvoorbeeld een maximale spreidingsperiode van vijf jaar van onder meer het beleggingsrisico, maar betekent dit dan dat de werkgever met de werknemer bepaalt welke spreidings­periode (binnen de maximale grens van vijf jaar) exact geldt? En hoe zit het met het opvangen van financiële mee- en tegenvallers als gevolg van het feit dat de deelnemer straks ook in de uitkeringsfase het beleggingsrisico en het risico van de stijgende levensverwachting (indien sprake is van een variabele uitkering) dragen? Bepalen de werkgever en de werknemer dan dat het risico individueel wordt gedragen of juist via een collectief toedelingsmechanisme? Of is de pensioenuitvoerder hierin leidend?

Al met al bestaan er dus nog de nodige onduidelijkheden, die hopelijk spoedig worden weggenomen. Feit is dat er genoeg deelnemers met een premieovereenkomst aan de vooravond van hun pensioen staan. Zij doen er verstandig aan om serieus en kritisch naar de optie van een variabele pensioenuitkering te kijken en zich daarover zorgvuldig te laten informeren en adviseren. Er kan daarbij maar één keer een keuze gemaakt worden; het amendement waarin is voorgesteld om hierna één keer te mogen switchen, is verworpen. Eveneens is het amendement verworpen dat erin voorzag om ook aan diegenen die reeds met pensioen zijn een keuzemogelijkheid te bieden (waarbij de vaste uitkering alsnog wordt omgezet in een variabele uitkering).

Via dit kennisportal wordt u op de hoogte gehouden van allerlei pensioenontwikkelingen, maar in de komende periode met bijzondere aandacht voor pensioenontwikkelingen omtrent de Wet verbeterde premieregeling. Hopelijk heeft deze bijdrage in ieder geval al wat meer inzicht geboden in de wondere wereld van het pensioen.

Auteur: Frederique Hoppers

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.