nieuws

Hoge Raad: Assurantietussenpersoon moet bij cliënt doorvragen naar achtergrond eerdere opzegging

Branche 1390

Bij dekkingsgeschillen wordt, naast de verzekeraar, geregeld ook de assurantietussenpersoon gedagvaard. De redenering van de verzekeringnemer is dan dat, indien de verzekeraar terecht dekking heeft geweigerd, de tussenpersoon dus steken heeft laten vallen en moet opkomen voor de daardoor ontstane schade. Te denken valt aan het ten onrechte niet laten meeverzekeren van een bepaalde rubriek of het onvolledig dan wel onjuist informeren van de verzekeraar, waardoor deze zich met succes kan beroepen op verzwijging.

Hoge Raad: Assurantietussenpersoon moet bij cliënt doorvragen naar achtergrond eerdere opzegging

Of een geslaagd beroep op verwijzing (of enige andere weigeringsgrond) voor rekening dient te komen van de tussenpersoon, hangt uiteraard af van de omstandigheden van het geval. Een recent arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:336) laat (andermaal) zien dat in dat verband nietdoorslaggevend hoeft te zijn of de tussenpersoon bekend was met (alle details van) de achtergehouden informatie, omdat van hem een proactieve houding mag worden verwacht.

Onderliggende casus
Het ging in deze zaak om een particuliere opstal-, inboedel- en aansprakelijkheidsverzekering. De verzekering liep aanvankelijk bij RVS, maar is met ingang van 6 augustus 2001 beëindigd, omdat de verzekeringnemer een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven over een schadevoorval. Per diezelfde datum heeft de verzekeringnemer, door tussenkomst van een assurantietussenpersoon, een nieuwe verzekering gesloten bij Aegon.

De tussenpersoon heeft bij het aanvragen van de verzekering een door Aegon opgestelde vragenlijst ingevuld, die hij vervolgens door de verzekeringnemer heeft laten ondertekenen. Aegon heeft geen vragen gesteld over het verzekeringsverleden, maar wel een algemene slotvraag:

zijn er feiten te melden omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden van u of van een andere belanghebbende bij een van deze verzekeringen, die in de laatste 8 jaren zijn voorgevallen, of andere feiten ten aanzien van zowel het te verzekeren risico als de belanghebbenden bij een van deze verzekeringen, die voor het beoordelen van de aanvraag van belang kunnen zijn? Zo ja, gaarne hier toelichten:

De tussenpersoon heeft bij deze vraag niets ingevuld over de eerdere opzegging door RVS.

Op 16 april 2010 is brand ontstaan op het perceel van de verzekeringnemer, met schade aan een houten chalet tot gevolg. De verzekeringnemer heeft deze brandschade geclaimd bij Aegon. Aegon heeft echter dekking geweigerd, omdat de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekering geen melding heeft gemaakt van de eerdere opzegging door RVS en Aegon met die wetenschap geen verzekering zou hebben gesloten.

De verzekeringnemer heeft daarop zowel Aegon als de tussenpersoon in rechte betrokken.

Juridisch kader
In de procedure staat centraal art. 251 (oud) WvK, dat van toepassing was op het moment dat de verzekering bij Aegon werd gesloten en waarin het verzekeringsrechtelijke leerstuk ‘verzwijging’ is geregeld:

Alle verkeerde of onwaarachtige opgave, of alle verzwijging van aan den verzekerde bekende omstandigheden, hoezeer te goeder trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van dien aard zijn, dat de overeenkomst niet, of niet onder dezelfde voorwaarden zoude zijn gesloten, indien de verzekeraar van den waren staat der zaak had kennis gedragen, maakt de verzekering vernietigbaar.

Een voor de verzekeraar relevante verzwijging kan dus aan dekking in de weg staan.

Heeft de verzekeraar bij het sluiten van de verzekering gebruikgemaakt van een vragenlijst, dan kan hij zich in beginsel niet beroepen op het niet meegedeeld zijn van een feit waarnaar hij niet heeft gevraagd. Dat is alleen anders als de verzekeringnemer het belang van dat feit kende, maar het desondanks niet heeft meegedeeld met de bedoeling de verzekeraar te misleiden (zie HR 18 december 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4298), HR 20 december 1996 (ECLI:NL:HR:1996:ZC2235) en – onder het huidige recht –art. 7:928 lid 6 BW).

Standpunt verzekeringnemer
Ten aanzien van Aegon stelt de verzekeringnemer zich op het standpunt dat geen sprake is van verzwijging, omdat Aegon bij het aangaan van de verzekering niet heeft gevraagd naar eerdere opzeggingen.

De tussenpersoon wordt, voor het geval Aegon zich wel zou kunnen beroepen op verzwijging, verweten dat hij onvoldoende aandacht heeft besteed aan de eerdere opzegging door RVS, ondanks dat de verzekeringnemer hem daarvan op de hoogte zou hebben gesteld.

Procedureverloop
De verzekeringnemer is in eerste aanleg (rechtbank Den Haag) en in hoger beroep (gerechtshof Den Haag) volledig in het ongelijk gesteld. Daarop is hij in cassatie gegaan en met succes; de Hoge Raad heeft zowel het oordeel over Aegon als het oordeel over de tussenpersoon vernietigd.

Oordeel Hoge Raad
Ten aanzien van Aegon oordeelt de Hoge Raad dat zij bij het aangaan van de verzekering niet heeft gevraagd naar eerdere opzeggingen, dat voor een geslaagd beroep op verzwijging in dit geval dus vereist is dat de verzekeringnemer Aegon opzettelijk heeft willen misleiden en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dat het geval is. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte een bewijsaanbod van de verzekeringnemer heeft gepasseerd met betrekking tot de vraag of Aegon de verzekering bij wetenschap van de eerdere opzegging door RVS zou hebben geweigerd.

Waar het voor Aegon dus misgaat op twee formele punten, heeft het oordeel van de Hoge Raad over de tussenpersoon (veel) meer praktische relevantie.

Het hof oordeelde in hoger beroep dat de tussenpersoon geen verwijt kan worden gemaakt, omdat niet is komen vast te staan dat hij bekend was met de redenen van opzegging door RVS. Of de tussenpersoon überhaupt bekend was met die eerdere opzegging kon daarom volgens het hof in het midden blijven.

De Hoge Raad oordeelt echter anders en stelt daartoe, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, voorop:

De zorg die van een redelijk bekwame en redelijk handelende assurantietussenpersoon mag worden verwacht, brengt mee dat hij aan de verzekeraar voldoende inlichtingen geeft om deze ervan te weerhouden naderhand een beroep te doen op art. 251 (oud) WvK of, onder het sinds 2006 geldende recht, art. 7:928 BW. Dit brengt mee dat indien de tussenpersoon niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt (de aspirant-verzekeringnemer) dient te informeren, voor zover die feiten van belang zijn voor de beantwoording van vragen die de verzekeraar met betrekking tot het aangaan van de verzekering heeft gesteld (vgl. HR 11 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2805, NJ 1999/650).

Ten aanzien van dit specifieke geval – verzwijging van een eerdere opzegging – voegt de Hoge Raad daaraan toe:

Deze zorg die de tussenpersoon met het oog op de belangen van zijn cliënt dient te betrachten, brengt ook mee dat deze, indien hij bekend is met een opzegging door een verzekeraar van een eerdere verzekeringsovereenkomst, zijn cliënt nader over de achtergrond van die opzegging dient te bevragen, ook indien de beoogd verzekeraar geen specifiek daarop gerichte vraag heeft gesteld. Aldus kan immers worden voorkomen dat de betrokkene later wordt geconfronteerd met een beroep op opzet tot misleiding bij het aangaan van de nieuwe verzekeringsovereenkomst.

Anders dan het hof, acht de Hoge Raad dus niet doorslaggevend of de tussenpersoon bekend was met de redenen van opzegging door RVS. Indien de tussenpersoon bekend was met die opzegging, had hij moeten doorvragen naar de redenen daarvan en, indien deze relevant waren, de verzekeraar daarover moeten informeren. Daaraan doet volgens de Hoge Raad niet af dat Aegon niet gericht naar eerdere opzeggingen heeft gevraagd.

Of de tussenpersoon daadwerkelijk bekend was met de eerdere opzegging, moet worden onderzocht door het gerechtshof Amsterdam, waarnaar de Hoge Raad de zaak heeft terugverwezen.

Tot slot
Het arrest helpt herinneren dat van assurantietussenpersonen een proactieve houding mag worden verwacht. Een tussenpersoon hoeft uiteraard niet alle denkbare gegevens te verzamelen, maar moet wel bij zijn cliënt informeren naar feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vragenlijst van de verzekeraar, daaronder begrepen een algemene slotvraag.

Door: Pieter Bloemendal

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.