nieuws

Onder oude verzekeringsrecht gelden eisen artikel 7:942 (oud) BW ook voor tweede of latere afwijzing door verzekeraar

Branche

Artikel 7:942 (oud) BW zoals dat gold tot 1 juli 2010 moet zo worden uitgelegd dat alleen dan een nieuwe verjaringstermijn van 6 maanden gaat lopen indien de verzekeraar de aanspraak per aangetekende brief afwijst en daarbij ondubbelzinnig vermeldt dat een verjaringstermijn van 6 maanden gaat lopen. Dit  geldt zowel voor een eerste als een latere afwijzing. Dit oordeel van de Hoge Raad is terug te vinden in het arrest van 26 februari 2016.

Onder oude verzekeringsrecht gelden eisen artikel 7:942 (oud) BW ook voor tweede of latere afwijzing door verzekeraar

In deze kwestie heeft de verzekerde bij ASR een verzekering voor onder meer  brand en diefstal afgesloten. Op enig moment heeft er een brand gewoed in de kapperszaak van verzekerde. Voor de door verzekerde hierdoor geleden schade doet zij een beroep op de verzekering die zij bij ASR heeft afgesloten.
ASR wijst de dekking per aangetekende brief af en wijst daarbij ook ondubbelzinnig op de verjaringstermijn van 6 maanden ex artikel 7:942 lid 3 (oud) BW. Na het faillissement van verzekerde heeft de curator de afwijzing van ASR betwist. Bij brief van 9 maart 2009 handhaaft ASR haar standpunt. Hierbij wijst ASR verzekerde  wederom op de termijn van 6 maanden. Deze keer is de brief niet per aangetekende post verstuurd.
Verzekerde begint dan een procedure tegen ASR. ASR stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van verzekerde op 4 augustus 2009 – zes maanden na de tweede afwijzing van ASR – reeds was verjaard.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis het beroep op verjaring verworpen. Hiertegen wordt tussentijds hoger beroep ingesteld. Het hof vernietigd het tussenvonnis en verwijst de zaak dan terug naar de rechtbank. Verzekerde heeft tegen dit arrest cassatie ingesteld.

Cassatie
In cassatie is de vraag aan de orde of de vordering van verzekerde jegens de verzekeraar was verjaard. Meer in het bijzonder deed zich de vraag voor of na een eerste afwijzing door de verzekeraar de vereisten van artikel 7:942 (oud) BW ook nog gelden. Met andere woorden: moet een verzekeraar op grond van artikel 7:942 (oud) BW een tweede en latere afwijzing steeds per aangetekende brief versturen en daarbij tevens ondubbelzinnig wijzen op de termijn van 6 maanden ex artikel 7:942 (oud) lid 3 BW.

De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Alvorens tot dit antwoord te komen zet de Hoge Raad de verschillende argumenten op een rijtje. Voor de opvatting dat pas een nieuwe verjaringstermijn van 6 maanden gaat lopen indien aan de formele vereisten is voldaan, geldt onder meer dat artikel 7:942 (oud) BW algemeen en zonder voorbehoud is geformuleerd. De wetsgeschiedenis en de strekking van de wetsbepaling wijzen eveneens in dezelfde richting. De verjaringsregeling ex artikel 7:942 (oud) BW strekt tot bescherming van de verzekerde en het stellen van formele vereisten is hier in lijn mee.
Als argument voor de uitleg die het hof heeft gevolgd, verwijst de Hoge Raad naar het oorspronkelijk artikel 7:942 lid 3 BW. Dat artikellid bepaalde dat een rechtsvordering in geval van afwijzing door verloop van 6 maanden verjaarde, tenzij binnen die termijn overeenkomstig artikel 3.11.16 is gestuit.  De zinsnede ‘tenzij binnen die termijn overeenkomst artikel 3.11.16 is gestuit’ is echter geschrapt op enig moment. Hieruit zou dan moeten blijken dat na een eerste afwijzing overeenkomstig artikel 7:942 (oud) BW niet langer uitsluitend artikel 3:316 BW van toepassing is, maar ook en onder meer artikel 3:317 BW. Deze uitleg is volgens de Hoge Raad niet dwingend.

De Hoge Raad oordeelt dan uiteindelijk als volgt:
“3.10 Bij afweging van enerzijds de hiervoor in 3.6-3.8 vermelde argumenten, en anderzijds hetgeen hiervoor in 3.9.1 en 3.9.2 is overwogen, is de Hoge Raad van oordeel dat de eerstvermelde argumenten zwaarder wegen dan de laatstgenoemde. Dit betekent dat art. 7:942 lid 2 (oud) BW aldus moet worden uitgelegd dat in geval van een tweede (of volgende) schriftelijke aanspraak van de tot uitkering gerechtigde, na een eerdere afwijzing door de verzekeraar, slechts dan een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen indien de verzekeraar opnieuw bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen, onder de eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde rechtsgevolg.”

Het huidige  recht
De in dit artikel beschreven problematiek zal zich naar huidig recht niet meer voordoen. In artikel 7:942 BW zoals dat per 1 juli 2010 geldt, is de verjaringstermijn – ook na afwijzing van de aanspraak – verlengd naar 3 jaar. Het vereiste dat de afwijzing per aangetekende brief dient te geschieden is komen te vervallen en de verjaring wordt ook gestuit door onderhandeling tussen de verzekeraar en de tot uitkering gerechtigde of benadeelde. Een nieuwe verjaringstermijn begint dan pas weer te lopen op de dag volgend op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig mededeelt dat hij de onderhandelingen afbreekt.

Door: Sanne Rutten

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.