nieuws

Reactie Plasterk op commissierapport “Eenvoud loont” over pensioen binnen publieke sector

Branche

Op 29 januari 2016 heeft minister Plasterk (Binnenlandse Zaken) een reactie toegezonden op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de doelmatigheid van pensioengelden in de collectieve sector (en in het bijzonder binnen de publieke sector). Dit onderzoek is vervat in een commissierapport “Eenvoud loont” van juni 2015. In het rapport en de reactie hierop wordt ingezoomd op o.a. de governancestructuur bij de pensioenregeling binnen de publieke sector, de wijze waarop deze pensioenregeling wordt vastgesteld en de knelpunten die hieruit ontstaan in relatie tot het overleg tussen sociale partners op verschillende sectorniveaus. Ook wordt in het rapport ingegaan op de beheersbaarheid van de pensioenpremies voor overheidswerkgevers. Hoewel er geen concrete pensioenwijzigingen in de reactie van Plasterk aangekondigd worden, blijkt hieruit wel dat de pensioenregeling voor overheidswerkgevers de komende tijd tegen het licht gehouden wordt door middel van vervolgstudie en overleg met betrokken partijen. Het is zeer wel mogelijk dat de toekomstige inrichting van het pensioenoverleg in de publieke sector zal veranderen ten opzichte van de huidige situatie die immers verschillende knelpunten heeft blootgelegd.

Reactie Plasterk op commissierapport “Eenvoud loont” over pensioen binnen publieke sector

Governance
Alle zaken aangaande de pensioenvoorziening voor het overheidspersoneel worden centraal belegd in de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (de ROP). Achtergrond van dit centrale overleg is de pensioenregeling die in de regel voor het overheidspersoneel gelijkluidend is en is ondergebracht bij het pensioenfonds ABP. Het pensioenfonds ABP is daarbij slechts uitvoerder van hetgeen in de Pensioenkamer besloten is.

Kortom: de governancestructuur komt er momenteel op neer dat de pensioenregeling binnen de publieke sector één uitvoerder (ABP), één collectieve pensioenregeling en één bovensectorale pensioentafel (lees: de Pensioenkamer) kent waar afspraken over de inhoudelijke pensioenregeling gemaakt worden.
Uit het IBO-rapport blijkt dat deze bovensectorale pensioenregeling tot steeds meer onvrede onder overheidswerkgevers leidt. Zo zijn de bij het ABP aangesloten werkgevers divers van aard, onder andere qua bestuurlijke inbedding, samenstelling van het personeelsbestand, de aard van het werk en de financiering. Deelname aan de bovensectorale pensioenregeling beperkt de mogelijkheid om in de specifieke behoefte van de betreffende overheidswerkgever te voorzien. Ook zijn overheidswerkgevers ontevreden over de (grote) mate van invloed van het kabinet op het onderhandelingsproces rondom de pensioenregeling.

Als gevolg van deze ontevredenheid verband houdende met de governancestructuur, worden in het rapport vier alternatieve governancemodellen gepresenteerd. Eén van die modellen komt erop neer dat het ABP wordt opgesplitst in sectorale fondsen, waardoor alsnog de mogelijkheid bestaat om sectorale pensioenregelingen te creëren. Een andere suggestie is de introductie van het model dat het pensioenfonds Zorg en Welzijn hanteert, waarbij niet de sociale partners de regeling vaststellen, maar het fondsbestuur.
Plasterk heeft in zijn reactie toegezegd dat het kabinet in gesprek gaat met sociale partners over de uitgangspunten van een betere en logischere governancestructuur.

Verbinding pensioen met andere arbeidsvoorwaarden
Een ander knelpunt dat in het IBO-rapport gesignaleerd wordt, is het gegeven dat niet integraal kan worden overlegd over alle arbeidsvoorwaarden. Dit knelpunt houdt tevens verband met de hierboven geschetste governancestructuur. Over pensioen wordt zoals gezegd onderhandeld aan een bovensectorale tafel (de Pensioenkamer), terwijl de andere arbeidsvoorwaarden op sectoraal niveau door sociale partners wordt vastgesteld. Als gevolg hiervan vindt er geen integrale afweging plaats ten aanzien van de besteding van arbeidsvoorwaardenmiddelen per sector. De discussie over het zogenoemde Loonruimteakkoord vorig jaar heeft dit knelpunt duidelijk blootgelegd. Zie in dit verband mijn eerdere bijdrage op dit kennisportal over het Loonruimteakkoord.

Plasterk noemt hierop in zijn reactie dat het kabinet voordelen ziet in het meer structureel met elkaar verbinden van het cao-overleg met het pensioenoverleg, zodat er een integrale afweging tussen loon en pensioen aan de onderhandelingstafel kan plaatsvinden. Plasterk heeft in zijn brief toegezegd het komende jaar een studie te zullen laten uitvoeren naar niet uitsluitend het ideale governancemodel, maar ook de route om de gewenste verbinding tussen de cao-tafel en pensioentafel te realiseren, zodat direct aan de cao-tafel over pensioenkosten kan worden onderhandeld.

Beheersbaarheid pensioenpremies
Het IBO-rapport maakt ook melding van onvrede bij overheidswerkgevers over de onbeheersbaarheid van de pensioenpremies. Plasterk merkt op dat hij zich realiseert dat er weinig grip is op de pensioenpremies, maar dat dit verband houdt met het type pensioenregeling (zijnde een uitkeringsovereenkomst). Plasterk gaat hier voor wat betreft het vervolg niet concreter op in en verwijst naar de eerder uitgebrachte Hoofdlijnennotitie van het kabinet voor de toekomstige inrichting van het stelsel van aanvullende pensioenen in Nederland.

Als men er echter in weet te slagen om het cao-overleg meer in verbinding met het pensioenoverleg te brengen, kan ook de onvrede over de onbeheersbaarheid van de pensioenpremies wellicht wat worden weggenomen. In dat geval kan dan bijvoorbeeld bij een stijging van de pensioenpremies op sectoraal niveau worden vastgesteld dat de loonruimte reeds benut is. Met andere woorden: de pensioenpremie kan dan meer en beter communiceren met een andere arbeidsvoorwaarde binnen de betreffende sector, zoals het salaris.

UMC’s
In het verleden is geprobeerd om de sector UMC (academische ziekenhuizen) te laten overgaan van het pensioenfonds ABP naar PFZW. Die overgang is destijds echter niet doorgegaan. Plasterk kondigt nu in zijn brief aan dat men er naar streeft om per 1 januari 2017 tot een sectorale pensioenregeling voor de UMC’s bínnen het ABP te komen. Met andere woorden: een overgang naar PFZW lijkt definitief van de baan, maar er wordt wel onderzocht of binnen pensioenfonds ABP toch een sectorale pensioenregeling voor de UMC’s kan worden gecreëerd. Doelstelling van deze sectorale pensioenregeling is een meer gelijk speelveld tussen algemene ziekenhuizen en universitair medische centra te creëren.

Door: Frederique Hoppers

 

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.