nieuws

Niet zonder meer bestuurdersaansprakelijkheid bij te late deponering jaarrekening

Branche

Het niet tijdig openbaar maken van de jaarrekening leidt niet zonder meer tot aansprakelijkheid van de bestuurder. Weliswaar bestaat een onweerlegbaar bewijsvermoeden van onbehoorlijke taakvervulling, maar het bewijsvermoeden tussen de onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement kan weerlegd worden. De Hoge Raad heeft dit nog eens bevestigd in zijn uitspraak van 12 februari 2016.

Niet zonder meer bestuurdersaansprakelijkheid bij te late deponering jaarrekening

Ons wettelijke stelsel kent het tamelijk stringente regime dat te late deponering van de jaarrekening een vennootschapsrechtelijke doodzonde is. Er is echter een panacee om te ontkomen aan (bestuurders)aansprakelijkheid.

Om te beginnen bij het begin: een jaarrekening moet (vanaf boekjaren aangevangen op of na 1 januari 2016) in beginsel binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar zijn gepubliceerd (art. 2:394 BW).1

Wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan zijn tijdige publicatieplicht van de jaarrekening, dan wordt onweerlegbaar vermoed dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld (art. 2:248 BW). Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt weerlegbaar vermoed een belangrijke oorzaak voor het faillissement te zijn. De bestuurder krijgt aldus een tweede kans: hij kan proberen aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Daarmee kan aan bestuurdersaansprakelijkheid worden ontkomen.

Hoge Raad 12 februari 2016: curator vs. bestuurder
In de zaak die leidde tot het arrest van 12 februari 2016, hield een curator een bestuurder van een (voormalige) advocatenpraktijkvennootschap aansprakelijk voor het faillissementstekort.
Twee praktijkvennootschappen voerden samen een kostenmaatschap, die hun gezamenlijke huurovereenkomst ten dele onbetaald liet. De ene praktijkvennootschap betaalde de helft, de ander niets. Op grond van de contractuele afspraken werd ieder echter aansprakelijk bevonden voor de voldoening van de gehele huurprijs. De praktijkvennootschap van de advocaat waar het hier om gaat, is niet lang daarna in staat van faillissement verklaard.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage oordeelde dat de bestuurder van deze praktijkvennootschap op grond van art. 2:248 BW aansprakelijk is voor het boedeltekort. De jaarrekening was vier maanden te laat gedeponeerd en dit vormde volgens het hof geen onbelangrijk verzuim. Voorts zou hij niet aannemelijk hebben gemaakt dat andere omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling, een belangrijke oorzaak van het faillissement waren geweest.
De bestuurder tekende met succes cassatieberoep aan tegen de verwerping van zijn verweer dat als belangrijke oorzaak van het faillissement moet worden aangemerkt het achterblijven van de omzet van de andere maat en het daardoor voor de helft onbetaald blijven van de huur.
De Hoge Raad acht het oordeel van het hof ter zake zonder nadere motivering als onbegrijpelijk. Het hof oordeelde dat, ervan uitgaande dat de teruglopende omzet van de andere maat een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, de betreffende bestuurder ook in dat verband een verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt omdat hij feitelijk zicht had op de financiële positie van de andere maat.

De Hoge Raad ziet echter niet in hoe de enkele omstandigheid dat zicht kon bestaan op die financiële positie, kan leiden tot het oordeel dat de bestuurder onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten met betrekking tot de omstandigheid dat de teruglopende omzet van de andere maat oorzaak is geweest van het faillissement van de praktijkvennootschap van de bestuurder.
Onbegrijpelijk wordt ook geacht dat het hof niet is ingegaan op diverse stellingen van de bestuurder die ertoe strekken dat de bestuurder geen onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten met betrekking tot het teruglopen van de omzet van de andere maat als oorzaak van het faillissement.
Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling is pas sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld (vgl. HR 8 juni 2001, NJ 2001/454).

De bestuurder heeft voorts met succes geklaagd dat het hof niet toereikend heeft gemotiveerd waarom het verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt ter zake van zijn veronderstelling dat zijn praktijkvennootschap slechts gehouden was tot betaling van 50% van de huurprijs. De Hoge Raad oordeelt hierover dat niet kan worden gezegd dat de bestuurder daarmee heeft gehandeld zoals geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld, temeer nu niet is gebleken dat de bestuurder over concrete aanwijzingen beschikte dat zijn veronderstelling niet juist was.

Conclusie
De teruglopende omzet van zijn maat uit de kostenmaatschap en de onverwachte volledige aansprakelijkheid voor betaling van de huur, waren volgens de bestuurder andere belangrijke oorzaken van het faillissement dan zijn onbehoorlijke taakvervulling (vanwege de te late deponering).
Waar het hof deze stellingen had verworpen (enerzijds omdat de bestuurder zicht had op de omzet van zijn maat en anderzijds omdat hij de volledige aansprakelijkheid voor de huurbetaling kon zien aankomen), oordeelde de Hoge Raad dat onder de betreffende omstandigheden geen sprake is van een voor het faillissement relevante onbehoorlijke taakvervulling.

Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling is pas sprake in geval van een handelen waartoe een redelijk handelend bestuurder onder dezelfde omstandigheden niet zou zijn overgegaan. Dit brengt mee dat van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling eerst kan worden gesproken bij een tekortschieten van een bestuurder in de vervulling van zijn bestuurstaak, en dat bovendien in een vrij ernstige mate.
Bestuurdersaansprakelijkheid kan bij te late deponering van de jaarrekening dus worden vermeden indien aannemelijk wordt gemaakt dat het faillissement niet is veroorzaakt door onbehoorlijke taakvervulling, maar door minder ernstige fouten zoals onjuiste veronderstellingen die te licht zijn voor de kwalificatie ‘onbehoorlijke taakvervulling’.

Door: Daan Baas

1In onderhavige kwestie gold nog de ‘oude’ 13-maandentermijn. In het op 3 september 2015 door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel inzake de wijziging van Boek 2 BW is de publicatietermijn gewijzigd in die zin dat voor rechtspersonen die onder Titel 9 BW 2 vallen (waaronder de B.V.) de standaardtermijn voor publicatie vanaf 1 januari 2016 is teruggebracht van 13 naar 12 maanden.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.