nieuws

Bewaarneming: resultaats- of inspanningsverbintenis?

Branche

Wanneer een ter reparatie of stalling afgegeven zaak door brand of diefstal verloren gaat, wordt vaak gediscussieerd over de vraag of sprake is van bewaarneming en, zo ja, wat dat betekent voor de aansprakelijkheid van de partij die de zaak onder zich had. Is daarvoor voldoende dat hij de zaak niet of in beschadigde staat teruggeeft of moet hem een (groter) verwijt kunnen worden gemaakt? De rechtspraak op dat punt is grillig, zoals ook een recent arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch weer laat zien.

Bewaarneming: resultaats- of inspanningsverbintenis?

Op grond van art. 7:602 BW moet de bewaarnemer de zorg van een goed bewaarder in acht nemen (zorgplicht). Daarnaast is in art. 7:605 lid 4 BW bepaald dat de bewaarnemer de zaak moet teruggeven in de staat waarin hij deze heeft ontvangen (teruggaveplicht).
In de literatuur en de jurisprudentie komt geregeld de vraag aan de orde hoe deze twee bepalingen zich tot elkaar verhouden; leidt het schenden van de teruggaveplicht altijd tot aansprakelijkheid van de bewaarnemer (resultaatsverplichting) of moet de bewaargever ook bewijzen dat de bewaarnemer zijn zorgplicht heeft geschonden (inspanningsverplichting)? Bewaargevers hebben baat bij de eerste variant, bewaarnemers bij de tweede variant.
Naast deze twee uitersten zijn ook tussenvarianten denkbaar. Eén van die varianten werd toegepast door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in een arrest van 1 december 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:4986).

De onderliggende casus
Het ging in die zaak om een consument die zijn kampeerauto op 4 mei 2011 ter reparatie had aangeboden bij een garagebedrijf. De reparatie was op 5 mei 2011 voltooid. Partijen hadden afgesproken dat de consument zijn auto op 6 mei 2011 weer zou komen ophalen. Daar is het echter nooit van gekomen; de auto is in de nacht van 5 op 6 mei 2011 volledig uitgebrand, naar partijen aannemen door brandstichting.

De schade aan de auto was slechts deels gedekt door een verzekering. De consument heeft het garagebedrijf daarom aansprakelijk gesteld voor zijn restschade. Nadat het garagebedrijf had geweigerd die schade te vergoeden, is de consument een procedure gestart.
In eerste aanleg heeft de kantonrechter de vorderingen van de consument afgewezen. Daarop is de consument in hoger beroep gegaan.
Tussen partijen stond (in elk geval in hoger beroep) niet ter discussie dat de reparatieopdracht van het garagebedrijf ook elementen van bewaarneming in zich had. Ook stond vast dat het garagebedrijf niet aan zijn teruggaveplicht kon voldoen; de auto was immer volledig uitgebrand. De vraag die het hof diende te beantwoorden was of dat de conclusie rechtvaardigt dat het garagebedrijf de schade van de consument dient te vergoeden.

Het oordeel van het hof
Het hof oordeelt allereerst dat het enkele feit dat het garagebedrijf niet aan haar verplichting tot onbeschadigde teruggave van de auto kon voldoen, maakt dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
Daarmee is de aansprakelijkheid van het garagebedrijf volgens het hof echter nog niet gegeven. Art. 6:74 BW bepaalt immers dat de schuldenaar niet schadeplichtig is indien de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend. Dat is blijkens art. 6:75 BW het geval indien de tekortkoming “niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt”.

Volgens het hof is dat het moment waarop de zorgplicht uit art. 7:602 BW in beeld komt:
Naar mede blijkt uit art. 6:27 BW […] leidt toetsing van de gedragingen van [het garagebedrijf] aan de zorgplicht als bedoeld in art. 7:602 BW […] tot eenzelfde waardering van alle relevante omstandigheden van het geval als toetsing aan de hand van art. 6:75 BW, waarbij uitgaande van het enkele gegeven dat er in zoverre sprake is van een tekort schieten dat de camper niet onbeschadigd is teruggegeven, wordt bezien of dat tekort schieten ook aan[het garagebedrijf] kan worden toegerekend. Zowel bij toetsing aan art. 7:602 BW als bij toetsing aan art. 6:75 BW komt het niet alleen aan op eigen fouten, maar ook op oorzaken waarmee [het garagebedrijf] niets van doen heeft gehad, maar welke op grond van de omstandigheden van het geval wel voor rekening en risico van [het garagebedrijf] kunnen worden gebracht.

Naar het oordeel van het hof kan de brandschade in dit geval aan het garagebedrijf worden toegerekend – en heeft het garagebedrijf zijn zorgplicht dus geschonden – omdat:

  • sprake is van een van buiten komend onheil – brandstichting door een derde – waaraan partijen part noch deel hebben gehad;
  • bij een relatie tussen een professional en een consument het risico in beginsel bij de professional wordt gelegd, van wie een doeltreffende zorg kan worden verwacht;
  • het garagebedrijf erop had kunnen aandringen dat de auto direct na voltooiing van de reparatie werd opgehaald, bij gebreke waarvan het garagebedrijf erop had moeten wijzen dat zij niet kon instaan voor brand bij onbewaakte stalling;
  • de brandstichting ’s nachts plaatsvond, terwijl er geen toezicht werd gehouden;
  • het garagebedrijf ervoor heeft gekozen de auto buiten te stallen, waarbij het voor risico van het garagebedrijf komt dat binnen de garage slechts beperkt ruimte was; en
  • het risico op brandstichting in langs de openbare weg geparkeerde auto’s voldoende groot is om daarmee rekening te houden.

Anders dan de kantonrechter in eerste aanleg, komt het hof dus tot de slotsom dat het garagebedrijf de restschade van de consument moet vergoeden.

Commentaar
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gaat ervan uit dat het verweer van een bewaarnemer, dat hij voldoende zorgvuldig heeft gehandeld, een overmachtsverweer is; schending van de teruggaveplicht levert een tekortkoming op, waarna de zorgplicht nog slechts relevant is voor de vraag of die tekortkoming ook aan de bewaarnemer kan worden toegerekend.
Hoewel het hof dat niet met zoveel woorden schrijft, leidt die opvatting ertoe dat de bewaargever enkel hoeft te stellen en te bewijzen dat de teruggaveplicht is geschonden en dat het vervolgens aan de bewaarnemer is om te stellen en te bewijzen dat hij voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Schending van de teruggaveplicht en aansprakelijkheid gaan volgens het hof dus niet per se hand in hand, maar het bewijsrisico komt wel snel bij de bewaarnemer te liggen.
Zoals ik in de inleiding al opmerkte, is de rechtspraak op dit punt grillig. Er wordt dan ook geregeld anders geoordeeld dan het hof in deze zaak deed. Zo oordeelden de rechtbanken Rotterdam en Dordrecht in vonnissen van 25 juli 2007 (LJN BB1179) en 16 november 2011 (LJN BU4022) dat een tekortkoming van de bewaarnemer pas kan worden aangenomen als de bewaargever stelt en bewijst dat de bewaarnemer zijn zorgplicht heeft geschonden:
Wat de zorgplicht van de bewaarnemer inhoudt hangt af van de omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat [opposant] onvoldoende voorzorgsmaatregelen tegen diefstal heeft genomen of anderszins tekort is geschoten in zijn zorgplicht, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij voldoende zorg in acht heeft genomen.
Daarbij komt dat zelfs bewaarneming geen resultaatsverbintenis, maar slechts een inspanningsverbintenis oplevert. Als een goed tijdens de bewaarneming verloren gaat, is daarmee nog niet gezegd dat de bewaarnemer niet de zorg van een goed bewaarnemer in acht heeft genomen.

In de rechtspraak is dus geen heldere lijn te ontwaren. De in dit artikel besproken discussie zal dan ook voorlopig wel blijven bestaan, zeker zolang de Hoge Raad zich er niet over uitspreekt.

Door: Pieter Bloemendal

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.