nieuws

Geen directe actie jegens de (beroeps)aansprakelijkheidsverzekeraar

Branche

Geen directe actie

Geen directe actie jegens de (beroeps)aansprakelijkheidsverzekeraar

Het is ongebruikelijk om in beroepsaansprakelijkheidskwesties een aansprakelijkheidsverzekeraar rechtstreeks in rechte aan te spreken. Er bestaat geen algemene wettelijke grondslag voor een dergelijke directe actie. Ex artikel 7:954 BW is dat immers slechts mogelijk ingeval van schade van de benadeelde door dood of letsel[1]. De achtergrond hiervan is dat in dergelijke gevallen, vanuit slachtofferperspectief bezien, de verzekeringspenningen zoveel mogelijk bij de benadeelde terecht moeten komen. Over dit beperkte bereik van de directe actie is de wetgever helder.

Hier gaat het echter om een (vermeende) beroepsfout.

Eiser meent niettemin dat de rechtstreekse aanspraak mogelijk is, vanwege de in de polisvoorwaarden voorkomende passage:

De maatschappij heeft het recht benadeelden rechtstreeks schadeloos te stellen en met hen schikkingen te treffen, zij het dat de maatschappij dit niet zal doen dan na overleg met verzekerde

Deze polisbepaling kwalificeert volgens eiser als derdenbeding, zodat de verzekeraar ook daadwerkelijk rechtstreeks door hem wordt aangesproken.

De rechtbank gaat hier niet in mee en bepaalt (terecht) dat geen sprake is van een derdenbeding. Het hof oordeelt eveneens dat geen sprake is van een derdenbeding dat eiser een rechtstreekse aanspraak op de verzekeraar toekent. Het gaat immers slechts om een recht dat aan de verzekeraar wordt toegekend en nergens blijkt uit dat er tevens een verplichting voor de verzekeraar aan verbonden zou kunnen zijn jegens een derde zoals eiser.

Ook van een ‘contractuele directe actie’ is aldus geen sprake. De vorderingen van eiser jegens de verzekeraar worden daarom afgewezen.

Ongerechtvaardigde verrijking: geen panacee voor zielige gevallen

Eveneens terecht wijst het hof de andere grondslag voor een vordering jegens de verzekeraar, ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW), af. Er is immers niet voldaan aan het vereiste, ‘verrijking’, laat staan van een ‘ongerechtvaardigde’ verrijking.

De rechtbank bepaalde (terecht) reeds dat als al sprake zou zijn van een verrijking van de verzekeraar, een verarming van eiser en causaal verband daartussen, die verrijking in elk geval niet ongerechtvaardigd zou zijn, maar gerechtvaardigd zou worden door het systeem van de wet en de door de wetgever in dat verband bewust gemaakte keuzes.

Het zij nog maar eens herhaald: het gaat bij ongerechtvaardigde verrijking niet om redelijkheid, maar om een verrijking/verarming die geen rechtvaardigingsgrondslag in het systeem van de wet ziet. Een faillissement – en de daaromtrent bepaalde regels – vormt zo’n rechtvaardiging voor een verrijking/verarming. De wetgever heeft daar immers bewust in voorzien.

De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is geen panacee voor zielige gevallen, maar een sluitstuk van het wettelijk systeem.

Ook overigens is van verrijking geen sprake vanwege het enkele feit dat het advocatenkantoor is gefailleerd en ontbonden. De vennootschap is immers ex artikel 2:23c BW vatbaar voor herleving ingeval blijkt van een schuldeiser of het bestaan van een nagekomen bate (zoals een aanspraak op verzekeringspenningen).

Speciale aandacht verdient nog artikel 3:287 BW. Met dit artikel wordt beoogd om de verzekeringspenningen, overeenkomstig de strekking van een aansprakelijkheidsverzekering en ondanks bijvoorbeeld een faillissement van de verzekerde, daadwerkelijk bij de benadeelde terecht te laten komen. Duidelijk is echter dat dit niet zo ver gaat dat hem een eigen recht jegens de verzekeraar wordt geboden (de directe actie). Ook in dit geval kan de eiser aldus – na ‘herleving’ van het gefailleerde advocatenkantoor – het hem toekomende voorrecht uitoefenen.

Minder gelukkige rechtsoverweging hof

Tot slot en ten overvloede nog een opmerking voor de geïnteresseerde lezer. Het hof oordeelt in r.o. 4.6 dat er voor eiser wel enig belang mee gediend is om buiten de boedelkosten te blijven. Aldus zou het hem toekomende voorrecht worden versterkt met een hem niet toekomend recht van parate executie. Het hof besluit:

En dat zou leiden tot een verrijking van [eiser] waarvoor het hof geen rechtvaardiging ziet.

Hier lijkt het hof de mist in te gaan. Een rechtvaardiging voor de verrijking van eiser is immers niet het criterium en doet niet ter zake voor de beoordeling. Het moet gaan om een verarming van eiser en een verrijking van (in dit geval) het advocatenkantoor die gerechtvaardigd is.

 


[1] Daargelaten de rechtstreekse vordering op grond van artikel 6 lid 1 WAM (Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen)

Door: Daan Baas

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.