nieuws

Bengaals vuur geen ‘brand’ conform NBZB 2006; Kennis makelaar van polisvoorwaarden toegerekend aan verzekeringnemer

Branche

Uitleg van polisvoorwaarden vormt een steeds terugkerend geschilpunt tussen verzekeraars en verzekeringnemers. Een polisbepaling kan nog zo nauwkeurig en gedetailleerd zijn geformuleerd, interpretatieverschillen zijn altijd mogelijk, zo bleek ook recent weer uit een dekkingsgeschil tussen de eigenaar van het Olympisch Stadion en diens verzekeraar, omtrent schade die voetbalsupporters hadden veroorzaakt met Bengaals vuurwerk.

Bengaals vuur geen ‘brand’ conform NBZB 2006; Kennis makelaar van polisvoorwaarden toegerekend aan verzekeringnemer

Op 3 juli 2013 werd ter ere van de 75-jarige verjaardag van Sjaak Swart, oud-voetballer van Ajax en het Nederlands elftal, een jubileumwedstrijd gespeeld in het Olympisch Stadion te Amsterdam. Het Olympisch Stadion behoort in eigendom toe aan een Vereniging van Eigenaars (VvE) en wordt beheerd door de Stichting Exploitatie Olympisch Stadion Amsterdam (SESAM).

Bengaals vuurwerk

Voorafgaand aan de wedstrijd was, met goedkeuring van de politie, op de groenstrook tussen de tribune en de sintelbaan een duizendklapper afgestoken. Tijdens de wedstrijd werd door supporters echter ook Bengaals vuurwerk afgestoken, hetgeen vooraf niet bekend was bij SESAM. Het Bengaalse vuurwerk is uit zichzelf weer gedoofd, maar heeft desalniettemin schade veroorzaakt aan diverse stoeltjes en de vloercoating van de tribune, alsmede aan de toplaag van de sintelbaan. Volgens de VvE moest die schade worden begroot op € 46.080,31.

De VvE claimde vergoeding van haar schade onder een door haar afgesloten ‘Uitgebreide gevarenverzekering’, die onder andere dekking biedt voor zaakschade als gevolg van brand. Op de verzekering zijn van toepassing de Nederlandse Beursvoorwaarden voor Zaak- en Bedrijfsschadeverzekering 2006 (NBZB 2006).

Standpunt verzekeraar
De verzekeraar stelde zich op het standpunt dat de verzekering in dit geval geen dekking bood, omdat het blijkens de NBZB 2006 – wil sprake zijn van een gedekte brandschade – moet gaan om “een door verbranding veroorzaakt en met vlammen gepaard gaand vuur buiten een haard dat in staat is zich uit eigen kracht voort te planten”. Nu het Bengaalse vuurwerk uit zichzelf was gedoofd, is aan die voorwaarde niet voldaan, aldus de verzekeraar.

Standpunt VvE
De VvE legde de kwestie voor aan de rechtbank Amsterdam en beriep zich er primair op dat de NBZB 2006 nooit aan haar ter hand waren gesteld en dat het beding waarop de verzekeraar zich beriep om die reden vernietigbaar was. Subsidiair stelde de VvE zich op het standpunt dat haar schade, anders dan de verzekeraar stelde, wel kwalificeert als brandschade in de zin van de NBZB 2006.

Oordeel rechtbank
In een vonnis van 10 juni 2015 stelt de rechtbank Amsterdam de VvE op beide punten in het ongelijk (ECLI:NL:RBAMS:2015:3542).

Terhandstelling polisvoorwaarden
Ten aanzien van het beroep op niet-terhandstelling is de rechtbank kort. De VvE heeft de gevarenverzekering afgesloten via een assurantiemakelaar en een versie van de NBZB 2006 in het geding gebracht, die is afgedrukt op briefpapier van de assurantiemakelaar. Nu de wetenschap van de assurantiemakelaar van een verzekeringnemer aan die verzekeringnemer moet worden toegerekend, kan de VvE zich niet beroepen op de niet-terhandstelling van de NBZB 2006, aldus de rechtbank.

Uitleg polisbegrip ‘brand’
De rechtbank gaat aansluitend in op de vraag of Bengaals vuur past binnen het polisbegrip ‘brand’. De rechtbank stelt in dat verband voorop dat sprake is van een makelaarspolis, dat bij de uitleg daarvan in beginsel de Haviltex-maatstaf moet worden toegepast (kort gezegd: de partijbedoeling staat centraal), maar dat in dit geval, nu de VvE zich heeft laten bijstaan door een professionele makelaar, de tekst van de bepaling doorslaggevend is.

De rechtbank oordeelt vervolgens “dat niet als brand in de zin van de polis wordt verstaan een vuur dat zich in een haard bevindt en dat niet op eigen kracht in staat is buiten de haard verder te branden”, “dat de schade is ontstaan door de vlammen uit het vuurwerk en dat is vernomen dat het vuurwerk uit zichzelf is gedoofd en er niet is geblust”, dat dit betekent “dat het vuur niet in staat was buiten de haard (in casu de fakkel) zelf verder te branden en aldus niet in staat was zich buiten de haard voort te planten”, en “dat de schade [dus] niet is veroorzaakt door een gedekt evenement”.

De VvE had nog aangevoerd dat het vuur zich niet heeft kunnen voortplanten om de enkele reden dat de VvE ervoor heeft gezorgd dat de materialen van het stadion niet brandbaar waren, maar ook dat betoog verwerpt de rechtbank: “De omstandigheid dat een verzekeringnemer maatregelen treft om schade tegen te gaan wijzigt de dekkingsomvang van de polis niet”.

De rechtbank wijst de vordering van de VvE dan ook af en veroordeelt de VvE in de proceskosten.

Commentaar
Op de wijze waarop de rechtbank het polisbegrip ‘brand’ uitlegt, lijkt weinig af te dingen. De betreffende polisbepaling is helder geformuleerd en laat er geen misverstand over bestaan dat schade door vuur, dat niet buiten een haard heeft gebrand en uit zichzelf weer is gedoofd, niet onder de dekking valt.

Anders ligt dat voor wat betreft het oordeel over de terhandstelling van de polisvoorwaarden. De rechtbank overweegt op zichzelf terecht dat wetenschap van de assurantiemakelaar van een verzekeringnemer (in beginsel) aan die verzekeringnemer mag worden toegerekend, maar met het oordeel dat daaruit ook volgt dat, in alle gevallen waarin de verzekeringnemer wordt bijgestaan door een assurantiemakelaar, voldoende zou zijn dat de assurantiemakelaar in het bezit is (gesteld) van de polisvoorwaarden, gaat de rechtbank mijns inziens te kort door de bocht.

Het uitgangspunt is dat de polisvoorwaarden moeten worden verstrekt aan de verzekeringnemer zelf (zie ter vergelijking het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 maart 2013,ECLI:NL:RBSHE:2012:BV9069). Afwijking van dat uitgangspunt is denkbaar, bijvoorbeeld als partijen uitdrukkelijk andere afspraken hebben gemaakt of als vaststaat dat de verzekeringnemer via diens assurantiemakelaar daadwerkelijk kennis heeft genomen van de polisvoorwaarden; in dat laatste geval kan het onaanvaardbaar zijn indien de verzekeringnemer zich op niet-terhandstelling beroept. Dat één van deze omstandigheden zich in de Amsterdamse zaak voordeed, blijkt echter niet uit het vonnis.

Door Pieter Bloemendal

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.