nieuws

Zorgplicht verzekeraar tijdens looptijd: Vervalste handtekening onder verzoek tot afkoop levensverzekeringen

Branche

Achmea heeft haar onderzoeksplicht niet geschonden door zonder nadere controle en zonder contact op te nemen met de vrouw, de afkoopwaarde van twee levensverzekeringen over te maken naar het door de man opgegeven buitenlandse bankrekeningnummer. Dat is althans de uitkomst van een procedure voor de Rechtbank Den Haag (vonnis van 14 januari 2015,  ECLI:NL:RBDHA:2015:298).

Zorgplicht verzekeraar tijdens looptijd: Vervalste handtekening onder verzoek tot afkoop levensverzekeringen

Een samenwonend stel sluit in 2000 twee levensverzekeringen af bij een rechtsvoorgangster van Achmea. Begunstigden onder de polissen zijn de kinderen van de vrouw uit een eerdere relatie. Op enig moment gaat het blijkbaar met de relatie bergafwaarts; in 2010 vertrekt de man naar zijn tweede huis in Spanje.
In oktober 2011 verzoekt de man Achmea om de levensverzekeringen af te kopen, waartoe twee door hem ondertekende aanvraagformulieren aan Achmea worden verzonden. De handtekening van de vrouw ontbreekt.
Achmea constateert het ontbreken van de handtekening van de vrouw en verzoekt de man het aanvraagformulier door de beide verzekeringnemers te laten ondertekenen en Achmea een kopie van het identiteitsbewijs van de vrouw toe te sturen.
De man stuurt opnieuw twee aanvraagformulieren aan Achmea, elk voorzien van twee handtekeningen, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de vrouw. Daarop gaat Achmea tot uitkering van een bedrag van EUR 35.229,24 aan afkoopwaarde van de levensverzekeringen over. Het bedrag wordt overgemaakt naar een bankrekening in Spanje.
Naar achteraf blijkt, heeft de man de handtekening van de vrouw vervalst en zonder haar medeweten een kopie van haar identiteitsbewijs gemaakt en aan Achmea gestuurd. Volgens de vrouw had Achmea dat moeten onderkennen en de betaling niet mogen verrichten.

Rechtbank Den Haag
De rechtbank wijst de vordering van de vrouw tot hernieuwde betaling van de afkoopwaarde van de levensverzekeringen maar dan nu aan haar, af. Volgens de rechtbank kan van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verzekeraar niet worden verlangd dat die door middel van eigen onderzoek zeker stelt dat handtekeningen op toegezonden aanvraagformulieren niet zijn vervalst in gevallen waarin tevens een kopie van een identiteitsbewijs is meegezonden. Volgens de rechtbank mag een verzekeraar ervan uitgaan dat handtekeningen niet zijn vervalst wanneer een dergelijke kopie wordt meegezonden, behoudens gevallen waarin de verzekeraar duidelijke aanwijzingen heeft dat er een reëel risico op vervalsing bestaat.
De rechtbank voegt daaraan toe dat het te ver gaat om van een verzekeraar te verlangen dat hij ertoe overgaat de handtekening op de kopie van het identiteitsbewijs te vergelijken met de handtekening op het betreffende formulier; van een verzekeraar kan volgens de rechtbank in redelijkheid niet worden verlangd dat hij zijn organisatie zo inricht dat alle werknemers die met handtekeningen van klanten in aanraking komen, specialistische kennis bezitten om te kunnen beoordelen of een handtekening is vervalst.
Naar het oordeel van de rechtbank vormt het opvragen van een kopie van het identiteitsbewijs een voldoende controlemechanisme om de vervalsing van handtekeningen tegen te gaan omdat de verzekeraar ervan mag uitgaan dat een dergelijke kopie uitsluitend kan worden toegezonden met instemming of medewerking van de eigenaar van het identiteitsbewijs.
Dat de man een kopie van het identiteitsbewijs van de vrouw heeft gemaakt zonder haar medeweten, komt in de verhouding tot Achmea voor rekening van de vrouw.
Vervolgens gaat de rechtbank na of er in het onderhavige geval concrete aanwijzingen waren dat er een reëel risico op vervalsing bestond, hetgeen tot inschakeling van de eigen fraude-experts van Achmea zou hebben moeten leiden, aldus de vrouw. In dat kader acht de rechtbank van belang dat Achmea ervan mocht uitgaan dat de man en de vrouw samenwoonden op het moment dat Achmea het verzoek tot afkoop van de levensverzekeringen ontving; haar was niet meegedeeld dat de man inmiddels naar Spanje was vertrokken.
Volgens de vrouw was zelfs voor een leek te zien dat de handtekeningen op de aanvraagformulieren geen vloeiende en strakke lijnen vertoonden en houterig en onstabiel waren, en bovendien afweken van de handtekening op het identiteitsbewijs. De rechtbank meent dat de enkele omstandigheid dat de handtekeningen niet identiek zijn, niet betekent dat die niet toch van dezelfde persoon afkomstig zijn.
Ook het feit dat op de eerste set aanvraagformulieren geen handtekening van de vrouw was gezet, vormt geen indicatie dat sprake is van mogelijke fraude nu Achmea onbestreden had aangevoerd dat dit veelvuldig wordt vergeten. Dat daarnaast betaling zou moeten plaatsvinden op een buitenlandse bankrekening en dat de man meerdere malen op spoedige betaling heeft aangedrongen, leiden volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Kortom: er was voor Achmea geen aanleiding te veronderstellen dat er een luchtje zat aan de aanvraag tot afkoop van de levensverzekeringen en derhalve behoefde zij die aanvraag niet intensiever onder de loep te nemen; de rechtbank verwijst de vrouw naar de man.

Commentaar
De uitkomst van deze procedure is dat een verzekeraar niet gehouden is de op een aanvraagformulier gezette handtekening te controleren aan de hand van de meegestuurde kopie van het legitimatiebewijs. Daarmee wordt een voor de hand liggende discussie volledig buiten de deur gehouden, namelijk ten aanzien van de vraag in hoeverre een handtekening op een formulier daadwerkelijk lijkt op de handtekening op het legitimatiebewijs en welke vervolgacties dan in gang zouden moeten worden gezet.
De rechtbank achtte het opvragen van een kopie van het identiteitsbewijs an sich een voldoende controlemechanisme. Of de redenering dat een verzekeraar ervan mag uitgaan dat een kopie van een identiteitsbewijs uitsluitend kan worden toegezonden met instemming of medewerking van de eigenaar van dat identiteitsbewijs in de huidige tijd opgaat, is in mijn ogen evenwel nog maar de vraag.
Tegelijkertijd was voor Achmea als verzekeraar natuurlijk niet zichtbaar wat zich achter de voordeur tussen de man en de vrouw afspeelde en kon zij (overigens waarschijnlijk net zo min als de vrouw zelf) bevroeden wat de man van plan was. Dat de rechtbank niet heeft willen aannemen dat er voldoende indicatie was van de ophanden zijnde fraude, acht ik niet onbegrijpelijk. Wijsheid achteraf mag de toetsingsmaatstaf immers niet inkleuren.

Door: Annet van Duijn

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.