nieuws

‘Buitenlandse verzekeraar met Nederlands bijkantoor gebonden aan BBr’

Branche

Onlangs besprak ik een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin werd geoordeeld dat de Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten (artikel 6:197 BW) ook van toepassing is op subrogatie krachtens buitenlands recht. In dezelfde uitspraak ging het hof – ten overvloede – in op de vraag of een buitenlandse verzekeraar daarnaast gebonden is aan de Bedrijfsregeling Brandregres 2000. Het hof beantwoordde ook die vraag – in het licht van de omstandigheden van het concrete geval – bevestigend.

‘Buitenlandse verzekeraar met Nederlands bijkantoor gebonden aan BBr’

Regres door een verzekeraar

Ingevolge artikel 7:962 lid 1 BW kan een verzekeraar, die op grond van een verzekeringsovereenkomst schade heeft vergoed, regres nemen op de voor die schade aansprakelijke partij. Ons BW kent echter een aantal uitzonderingen op die hoofdregel, waaronder de hiervoor genoemde Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten en artikel 7:962 lid 3 BW, dat regres op een medeverzekerde, alsmede op de partner, bloedverwanten in de rechte lijn, werknemers, werkgever en collega’s van de verzekerde, in beginsel uitsluit.

Bedrijfsregeling Brandregres (“BBr”)

Al decennialang doen Nederlandse brandverzekeraars een schep bovenop deze wettelijke beperkingen, door onderling afspraken te maken over de (on)mogelijkheid om regres te nemen, nadat is uitgekeerd onder een brandverzekering. Sinds 1 januari 2014 zijn die afspraken vastgelegd in de Bedrijfsregeling Brandregres 2014. Daarvóór waren er de Afstandsverklaring Regres 1954, het Bindend Besluit Regres 1984 en de Bedrijfsregeling Brandregres 2000.

De belangrijkste verandering in de BBr 2014 is dat het regres op niet-particulieren niet langer beperkt is tot € 500.000,- per schadegebeurtenis. Voor het overige zijn de wijzigingen ten opzichte van de BBr 2000 vooral redactioneel van aard. Zowel in de BBr 2000 als in de BBr 2014 is bepaald dat brandverzekeraars geen regres zullen nemen op particulieren en niet-particuliere huurders, pachters, lessees, bruikleners en bewaarnemers van de beschadigde zaak, alsmede dat brandverzekeraars alleen regres zullen nemen op andere dan de hiervoor genoemde niet-particulieren indien hun aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten. Deze hoofdregel lijdt slechts in vier gevallen uitzondering, waaronder de situatie dat de schade opzettelijk is veroorzaakt

Thans zijn alle verzekeraars die zijn aangesloten bij het Verbond van Verzekeraars gebonden aan deze afspraken, voor zover zij “in hun hoedanigheid van brandverzekeraar ter zake van de schadegebeurtenis een brandverzekering hebben gesloten”. Dit toepassingsbereik is met enige regelmaat voer voor discussie, niet alleen omdat de begrippen “brandverzekeraar” en “brandverzekering” multi-interpretabel zijn, maar ook omdat internationale aspecten complicerend kunnen werken.

Want wat nu als de buitenlandse tak van een brandverzekeraar, die ook actief is op de Nederlandse markt, in Nederland regres wil nemen? Ziet die verzekeraar zich dan geconfronteerd met een geslaagd beroep op de BBr, omdat haar Nederlandse tak lid is van het Verbond, of moet in een dergelijk geval slechts gekeken worden naar de positie van de regresnemende, buitenlandse tak?

Buitenlandse verzekeraar ook gebonden?

In de zaak die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 mei 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:2043), had de aangesproken partij – La Place – zich er subsidiair op beroepen dat de vordering van de regresnemende verzekeraar, voor zover deze was gebaseerd op artikel 6:173 BW, afstuitte op de BBr (versie 2000). Zoals hiervoor al ter sprake kwam, is in de BBr onder andere bepaald dat regres op niet-particulieren alleen zal worden uitgeoefend indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten. De enkele stelling dat gebruik is gemaakt van een gebrekkige roerende zaak zou daartoe onvoldoende zijn, aldus La Place.

De verzekeraar – een vennootschap naar Iers recht – verweerde zich met de stelling dat alleen haar Nederlandse bijkantoor is aangesloten bij het Verbond en dat dus alleen dat Nederlandse bijkantoor gebonden is aan de BBr.

Hoewel het hof reeds had geoordeeld dat artikel 6:197 lid 2 BW in de weg stond aan de op artikel 6:173 BWgebaseerde vordering, beoordeelt het hof ten overvloede ook dit geschilpunt. Overwogen wordt dat niet is gebleken dat het Nederlandse bijkantoor van de verzekeraar een zelfstandige entiteit is en dat daarom aangenomen moet worden dat de verzekeraar en haar Nederlandse bijkantoor dezelfde rechtspersoon zijn. In dat licht oordeelt het hof vervolgens dat de verzekeraar – dus zowel de buitenlandse tak als het Nederlandse bijkantoor – gebonden is aan de BBr.

Nuancering

Temeer lidmaatschap van het Verbond op vrijwillige basis geschiedt, had het hof in mijn ogen ook anders kunnen oordelen. De verzekeraar heeft er kennelijk voor gekozen om zich alleen bij het Verbond aan te sluiten voor zover het haar Nederlandse bijkantoor betreft. Hoewel het zich moeilijk laat voorstellen dat een (rechts)persoon deels wel en deels niet lid is van een vereniging – en het oordeel van het hof tot zover in elk geval begrijpelijk is – is verdedigbaar dat de verzekeraar dan toch ten minste te kennen heeft gegeven alleen haar Nederlandse bijkantoor te willen binden aan de BBr.

Een vraag die dan wellicht opkomt, is of een dergelijk voorbehoud in het licht van de tekst van de BBr – “alle leden van het Verbond zijn gebonden” – überhaupt mogelijk is. Die vraag hebben partijen het hof echter kennelijk niet voorgelegd en heeft het hof (dus) ook niet beantwoord.

Lijn in de jurisprudentie

Dat het oordeel van het hof daadwerkelijk anders had kunnen uitvallen, blijkt wel uit een vonnis van de rechtbank Oost Brabant van 25 maart 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:1903). In die procedure namen twee Duitse verzekeraars regres op de leverancier van een koffieautomaat, waarin volgens de verzekeraars brand was ontstaan. De leverancier verweerde zich onder andere met de stelling dat het verhaalsrecht van één van de verzekeraars in elk geval werd beperkt door de BBr.

De rechtbank Oost Brabant overwoog echter dat in het ledenovericht van het Verbond slechts het Nederlandse branchekantoor van de verzekeraar, en niet (ook) de Duitse vennootschap die optrad als eisende partij, stond vermeld en oordeelde dat de leverancier in dat licht onvoldoende had gesteld om zich met succes op de BBr te kunnen beroepen.

Of de rechtbank daarmee in materieel opzicht een ander oordeel heeft gegeven dan het hof Amsterdam, is evenwel de vraag; het lijkt vooral een kwestie van bewijslastverdeling te zijn geweest. Waar het gerechtshof Amsterdam de onduidelijkheid omtrent de status van het Nederlandse bijkantoor voor risico van de verzekeraar liet komen, oordeelde de rechtbank dat juist de aangesproken partij onvoldoende had gesteld.

In het licht van artikel 150 Rv lijkt laatstgenoemde benadering de juiste; de aangesproken partij beriep zich immers op toepasselijkheid van de BBr en diende bijgevolg te bewijzen dat de regresnemende verzekeraar daaraan was gebonden.

Door: Pieter Bloemendal

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.