nieuws

Effectenlease: opt-outverklaring niet tijdig uitgebracht

Branche

Na mijn artikel van eerder dit jaar in het kader van effectenlease, is dit opnieuw onderwerp van een arrestvan de Hoge Raad. In deze kwestie was aan de orde de vraag of de opt-outverklaring om aan de werking van de WCAM-overeenkomst te ontkomen tijdig was ingediend. Ik schets eerst kort de achtergronden van de zaak en bespreek daarna de uitspraken van de rechtbank en het hof.

Effectenlease: opt-outverklaring niet tijdig uitgebracht

Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft het hof Amsterdam de tussen Dexia en een aantal belangenorganisaties gesloten overeenkomst, de WCAM-overeenkomst, verbindend verklaard. De kern van de WCAM is gebondenheid van de gehele groep benadeelden aan de overeenkomst door de verbindendverklaring. Aan deze gebondenheid valt voor de individuele gerechtigde slechts te ontkomen als zij gebruikt maakt van de opt out-mogelijkheid.
In de beschikking is door het hof bepaald op welke manier Dexia bekendheid moest geven aan de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, aan de gevolgen daarvan, aan de omstandigheid dat alle gerechtigden daaraan gebonden waren en aan de mogelijkheid om een opt out-verklaring in te dienen en voor welke datum dat moest gebeuren.
Eiseres was een effectenleaseovereenkomst aangegaan met (de rechtsopvolgster van) Dexia. Bij het einde van die overeenkomst was de opbrengst van de onderliggende effecten onvoldoende om de schuld van eiseres aan Dexia te voldoen. Eiseres heeft die schuld niet aan Dexia voldaan. Eiseres heeft na het verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst volgens Dexia niet tijdig een opt out-verklaring uitgebracht. Dexia vordert om die reden nakoming van de verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst.

Uitspraak
Eiseres stelde dat zij niet op de hoogte van de WCAM-overeenkomst en de opt out-mogelijkheid, omdat zij van september 2002 tot september 2007 op Curaçao woonachtig was en Dexia de kennisgeving naar haar oude adres in Amsterdam had gestuurd.
Het argument dat eiseres helemaal geen weet had van de WCAM-overeenkomst en er om die reden niet aan gevonden zou zijn, gaat uiteraard niet op. Met de beschikking van het hof Amsterdam is de WCAM-overeenkomst voor alle gerechtigden verbindend verklaard, ongeacht of een gerechtigde van die regeling en de verbindendverklaring kennis had of niet.
Op grond van art. 9 van de voorwaarden bij de effectenleaseovereenkomst was eiseres verplicht om de bank van adreswijzigingen op de hoogte houden. Dat had zij nagelaten. Dat zij daardoor niet wist dat de opt out-verklaring voor 1 augustus 2007 moest worden ingediend is daarmee aan eiseres te wijten.
De rechtbank wees de vordering van Dexia daarom toe en dat vonnis is door het hof bekrachtigd.
In cassatie klaagt eiseres dat art. 9 van de voorwaarden bij de effectenleaseovereenkomst een onredelijk bezwarend beding bevat als bedoeld in art. 6:236 aanhef en onder l BW. Het hof had het beding daarom buiten toepassing moeten laten. Ook zou de regeling uit de WCAM-overeenkomst onverenigbaar zijn met de artt. 6 en 13 EVRM en art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.
De Hoge Raad doet de zaak af op art. 81 RO. Voor het arrest is echter een uitvoerige conclusie verschenen van A-G De Vries Lentsch-Kostense waarin de klachten worden besproken.

Verplichting adreswijziging doorgeven niet onredelijk bezwarend

In art. 6:236 aanhef en onder l BW is bepaald dat als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat ten nadele van de wederpartij (in dit geval eiseres) afwijkt van art. 3:37 BW (waarin is bepaald dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt, lid 3), tenzij het beding bepaalt “dat de gebruiker het hem door de wederpartij opgegeven adres als zodanig mag blijven beschouwen totdat hem een nieuw adres is meegedeeld”. Dat is hier nu juist precies wat in art. 9 van de voorwaarden is bepaald. Er is dus geen sprake van een onredelijk bezwarend beding.

Geen strijd met EVRM

Volgens eiseres is het opt-out systeem, waarin de gerechtigde bij stilzitten gebonden raakt aan een verbindend verklaarde regeling en zij het recht op toegang tot de rechter verliest, in strijd met het EVRM.

Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat het recht op toegang tot de rechter kan worden beperkt en dat de staten daarbij een ruime beleidsvrijheid hebben. Het recht mag echter niet in de kern worden aangetast. Iedere beperking van het recht op toegang tot de rechter moet in redelijke evenredigheid staan tot het met die beperking nagestreefde doel.
De WCAM beoogt om collectieve afwikkeling van massaschade mogelijk te maken. Die collectieve afwikkeling heeft voor alle betrokken partijen belangrijke voordelen. Voor de benadeelden heeft zij het voordeel dat zij, zonder jarenlange juridische procedures, een reëel schadebedrag ontvangen. Voor de aangesprokenen is het voordeel dat zij niet betrokken worden in een veelheid van procedures waardoor de kosten van verdediging hoog op kunnen lopen. Het maatschappelijk voordeel is het voorkomen van de kosten en inspanningen die gepaard gaan met het voeren van talloze juridische procedures, waarin telkens dezelfde vragen beantwoord moeten worden.
De wettelijke regeling voorziet verder niet alleen in de mogelijkheid voor de individuele gerechtigden om zich door middel van een opt out-verklaring te onttrekken aan de gevolgen van de verbindendverklaring, maar ook in collectieve en (waar mogelijk) individuele bekendmaking van de regeling en van de opt out mogelijkheid.
Het hof Amsterdam heeft in de beschikking van 25 januari 2007 nauwkeurig aangegeven op welke wijze Dexia bekendheid diende te geven aan de verbindendverklaring, de gevolgen daarvan en aan de mogelijkheid een opt-out-verklaring in te dienen. Het hof bepaalde dat zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van de beschikking, daarvan bij gewone brief mededeling moest worden gedaan aan de bekende gerechtigden, bij advertentie in door het hof genoemde nieuwsbladen en bij bericht op de website van de verzoeksters.
Met de beschikking van het hof Amsterdam kan worden geconcludeerd dat de wettelijke regeling door een voldoende gewichtig algemeen belang wordt gerechtvaardigd en dat een eerlijk evenwicht bestaat tussen dit algemene belang en de rechten van de individuele belegger.
Van strijd met het EVRM is dan ook geen sprake.

Door Annelijn Kroes

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.