nieuws

Product recall: Drempelwaarde en te verwachten terugroepbevel

Branche

In een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2015 was de vraag aan de orde of de kosten van een terugroepactie onder de dekking van een recall polis vielen. Centraal stond de feitelijke vraag of een bevel tot terugroepen ophanden was of te verwachten was. Het ging om een stof waarvoor geen specifieke maximale residu limiet was vastgesteld. Dit probleem kan zich ook voordoen in andere situaties. Bijvoorbeeld bij allergenen die niet op het etiket zijn vermeld. Bij welke grenswaarde/drempelwaarde dient er een recall te worden uitgevoerd en wanneer is dat gedekt onder een ‘Government recall’ in een AVB- of recall polis?

Product recall: Drempelwaarde en te verwachten terugroepbevel

Een importeur van basmati-rijst sprak haar verzekeraar aan wegens recall kosten van € 2 miljoen. De importeur maakte aanspraak op dekking omdat zich twee voorvallen hadden voorgedaan die hadden geleid tot terugroepacties van rijst. De verzekeraar wees dekking af, omdat niet bleek van een ambtelijk bevel van de bevoegde autoriteiten tot een terugroepactie. De (via een makelaar afgesloten) recallpolis dekte namelijk alleen kosten van recalls op last van de overheid (een zogenoemde ‘Government Recall’). De betreffende bepaling in de polis luidde:

‘Iedere contaminatie van een Verzekerd product veroorzaakt door het binnendringen van of in contact komen met een Vreemde stof, welke contaminatie:

a. heeft geleid tot een ambtelijk bevel van de bevoegde autoriteiten tot het terugroepen van producten; of

b. voldoet aan alle door de autoriteiten voorgeschreven eisen voor een terugroepactie en een bevel van overheidswege voor zo’n terugroepactie ophanden of redelijkerwijs te verwachten is. (…)’

In een tussenvonnis van 13 maart 2013 had de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat de terugroepactie inderdaad niet valt onder sub a. Van een ambtelijk bevel was geen sprake. Ten aanzien van sub b stelde de rechtbank voorop dat het om een maatschappijpolis gaat, die daarom contra preferentem (dus in het nadeel van de verzekeraar) diende te worden uitgelegd (zie artikel 6:238 BW). Daarbij was ook van belang dat de importeur juist de recall polis had afgesloten omdat haar AVB-polis geen dekking bood voor recall schades, en dat de verzekeraar hiervan op de hoogte was. De rechtbank oordeelde dat (gezien ook deHaviltex-maatstaf) de importeur van een ruime dekking mocht uitgaan ten aanzien van sub b.

Daarmee werd dekking vanwege sub b nog niet aangenomen. De rechtbank stelde in het tussenvonnis vast dat de in de rijst aangetroffen stof IPT (een pesticidenresidu, Isoprothiolaan) weliswaar een vreemde stof is in de zin van de polis, maar de vraag resteerde of op het moment dat de importeur besloot tot de recall, een bevel van overheidswege redelijkerwijs te verwachten was geweest als de importeur niet zelf de rijst had teruggehaald. De importeur werd toegelaten dit te bewijzen.

Omdat het om terugroepacties in Duitsland ging, was voor het bewijs niet van belang wat de NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) eventueel heeft gedaan of gelaten resp. in een vergelijkbaar geval wel of niet zou hebben gedaan. Het gaat louter om de Duitse autoriteiten, aldus de rechtbank in het tussenvonnis van 13 maart 2013.

In eindvonnis van 8 april 2015 is beoordeeld of de importeur in haar bewijsopdracht is geslaagd.

De rechtbank wijst erop dat dit een vraag van feitelijke aard is: was in dit concrete geval feitelijk een bevel tot terugroepen ophanden of was in dit concrete geval een dergelijk bevel feitelijk te verwachten?

Grens/-drempelwaarden en overheidsingrijpen

In de betreffende zaak slaagt de importeur niet in de op haar rustende bewijslast, omdat er geen getuigen zijn gehoord die die concreet en uit eigen waarneming konden verklaren over de feitelijke gang van zaken bij de terugroepacties. Er zijn geen eigen werknemers van de importeur gehoord, en evenmin medewerkers van de betrokken afnemer (Lidl) of ambtenaren van de toezichthoudende Duitse overheidsorganen. Ook is er geen correspondentie met de betreffende Duitse autoriteiten overgelegd, terwijl duidelijk is dat die correspondentie er wel moet zijn.

Daarbij speelde mee dat uit de getuigenverklaringen wel bleek dat de Duitse autoriteiten discretionaire bevoegdheid hadden bij de beslissing of een terugroep werd gelast, en dat daarbij betekenis toekomt aan de vraag of en de mate waarin de volksgezondheid gevaar loopt.

Wat dat laatste betreft: de recalls waren uitgevoerd omdat in de rijst (tot tweemaal toe) de stof IPT was gevonden. Voor IPT was geen specifiek MRL (Maximale Residu Limiet) vastgesteld. De rechtbank achtte van belang dat tussen partijen vast stond dat de overschrijding van de IPT-waarde zeer gering was. Kennelijk is dat geen punt van discussie tussen partijen geweest, terwijl voorafgaand aan de eerste recall IPT was gevonden in gehalten van 0,04 mg/kg en 0,07 mg/kg (over de residuen in de rijst bij de twee de recall, vier maanden later, vermeldt het vonnis niets).

De rechtbank overwoog verder dat nadien de maximaal toegestane IPT-waarde fors hoger is vastgesteld. Deze is namelijk in 2012 vastgesteld op 5 mg/kg (zie Richtlijn EU 592/2012)

Omdat in dergelijke gevallen dat de overschrijding gering is, de vrijheid van de Duitse autoriteiten om niet in te grijpen groot is, achtte de rechtbank (mede gezien het ontbreken van concrete verklaringen en/of correspondentie) niet aangetoond dat een bevel tot terugroepen ophanden was of te verwachten was.

MRL’s en allergenen

In het tussenvonnis wordt door de rechtbank verwezen naar de Algemene Levensmiddelenverordening (EG 178/2002), en naar de Pesticideverordening (EG 396/2005). In artikel 18 van laatstgenoemde verordening is bepaald dat levensmiddelen of diervoeders niet meer bestrijdingsmiddelen mogen bevatten dan de MRL, danwel ‘0,01 mg/kg voor producten waarvoor in bijlage II of II geen specifiek MRL is vastgesteld’.

De grens van 0,01 mg/kg is ook in andere regelgeving opgenomen. Zo is in de Babyvoedingsrichtlijn (EG 2006/141) een ‘algemeen maximumgehalte aan residuen van 0,01 mg/kg voor elk afzonderlijk bestrijdingsmiddel’ vastgesteld. Dit maximumgehalte van 0,01 mg/kg is gebaseerd op detectiegrenzen. Ten aanzien van deVerordening inzake de biologische productiemethode (EG 2092/91) is daar in 2006 ook aansluiting bij gezocht.

In voorkomende gevallen kan wanneer een MRL ontbreekt, bij ingrijpen door een toezichthoudende overheidsinstantie (zoals in Nederland de NVWA) deze grens van 0,01 mg/kg handvatten bieden. Wanneer een residu rond die grens ligt, is verdedigbaar dat dit een ingrijpen niet rechtvaardigt. Anderzijds dient de producent of leverancier die een recall overweegt zonder dat dit door een toezichthouder wordt geëist, zich te realiseren dat in dergelijke gevallen verzekeringsdekking kan ontbreken. Afstemming met de makelaar en/of verzekeraar is dan ook aan te bevelen.

Sinds 13 december 2014 dienen vanwege de Voedselinformatie-Verordening (EU 1169/2011) 14 allergenen op of bij voedingsmiddelen vermeld te worden (‘de lijst van 14’) wanneer die allergenen zijn gebruikt bij de bereiding van het levensmiddel. (Mogelijke) Kruisbesmettingen met allergenen (dus wanneer sprake is van in het product overgebrachte sporen van stoffen of producten die allergieën of intoleranties kunnen veroorzaken) hoeven niet vermeld te worden (het mag wel: dat is dan vrijwillige voedselinformatie, of zogenoemde ‘may contain-etikettering’). Dit kan tot discussie leiden of een in een voedingsmiddel gevonden allergeen is gebruikt bij de bereiding, of daar door kruiscontaminatie in is gekomen. Welke drempelwaarden dergelijke discussies zouden kunnen beslechten, is nog niet duidelijk.

Verder is het de vraag wanneer het gerechtvaardigd is om een levensmiddel het predicaat ‘allergenenvrij’ te geven. Diverse fabrikanten gaan ervan uit dat als een allergenenresidu binnen de VITAL 2.0 norm (het Australische drempelwaardesysteem ‘Voluntary Incidental Trace Allergen Labelling’) blijft, het betreffende allergeen niet in het product voorkomt, en ingrijpen van de NVWA niet op zijn plaats is bij het wel aantreffen van (de minimale hoeveelheid van) dat allergeen.

Zie ook de op basis van de Europese regelgeving opgestelde EU-VITAL.

Van belang is dat het gaat om zelfregulering. De Vital normen zijn bedoeld om een risico inschatting voor allergenen te maken. Niet duidelijk is of de NVWA deze visie van fabrikanten deelt. In 2013 gaf het Belgische Wetenschappelijk Comité van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) al in een rapport aan dat (rekening houdend met de detectielimieten van beschikbare en geschikte methodes) de VITAL allergene drempelwaarden (of gelijkaardige dosis-responsgegevens) als basis kunnen dienen voor het vastleggen van actielimieten bij de controle van producten.

Conclusie

Wanneer een MRL ontbreekt kan bij ingrijpen door een toezichthoudende overheidsinstantie de grens van 0,01 mg/kg handvatten bieden. Dit geldt ook voor de vraag of er verzekeringsdekking bestaat voor een (niet door de toezichthouder gelaste) recall.

Voor (de vermelding van) de 14 allergenen als genoemd in de Voedselinformatie-Verordening, kan uitsluiting worden gezocht bij de Vital normen. De tijd zal ons leren hoe (onder meer door de NVWA) met grenswaarden voor allergenen wordt omgegaan. Tot dan doen fabrikanten er mijns inziens goed aan om hierover een gezamenlijke visie te ontwikkelen en deze actief uit te dragen.

Door Mascha Timpert-De Vries

 

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.