nieuws

Bovag wint spoedappel van Pensioenfonds Metaal en Techniek

Branche

Op 31 maart 2015 heeft het gerechtshof Den Haag arrest gewezen in een spoedappel dat Bovag heeft ingesteld tegen het kort geding vonnis van 4 december 2014. Het arrest is met name interessant, omdat hierin wordt ingezoomd op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds het pensioenfonds en anderzijds de sociale partners. Daarnaast blijkt uit dit arrest wat de reikwijdte van de verplichtstelling in een bedrijfstakpensioenfonds is.

Bovag wint spoedappel van Pensioenfonds Metaal en Techniek

In een notendop: Bovag was het er niet mee eens dat het pensioenfonds via het pensioen- en uitvoeringsreglement de pensioenpremieverdeling tussen werkgever en werknemer bepaalde, omdat Bovag daardoor niets meer met de vakbonden kon regelen in de eigen cao voor de sector Motorvoertuigen en Tweewielerbedrijf (hierna: MvT). Waar de kort gedingrechter nog concludeerde dat het pensioenfonds gerechtigd was om (via de Vakraad) de pensioenpremieverdeling vast te stellen, kwam het hof tot de conclusie dat het fonds de pensioenpremieverdeling niet mag dicteren. Mijns inziens een terechte uitkomst, zowel vanuit pensioenrechtelijk als arbeidsrechtelijk perspectief.

Casus
Bovag is de brancheorganisatie die met de vakbonden de cao sluit voor de sector MvT. De meeste van de aangesloten leden bij Bovag zijn voor wat betreft pensioen verplicht deelnemer bij het pensioenfonds Metaal en Techniek (hierna: PMT). Die verplichte deelneming bestaat op grond van de Wet Bpf 2000.
PMT heeft zowel in het uitvoerings- als pensioenreglement vermeld staan dat de werkgever het recht heeft om een door het bestuur van PMT te bepalen percentage van de door de werknemer betaalde pensioenpremie in te houden op het salaris. Dit percentage zelf staat overigens niet in het uitvoerings- en pensioen­reglement vermeld, maar in de beleidsregels 2014 van PMT. Bovag heeft aan PMT het verzoek gedaan om in het pensioenreglement, de beleidsregels en overige communicatie-uitingen de sector MvT uit te zonderen, daar waar het de premieverdeling betreft. PMT heeft hierop laten weten het verzoek niet te honoreren, omdat het premiebesluit van PMT (inclusief de premieverdeling) is vastgelegd in het pensioenreglement en valt onder de verplichtstellingsbeschikking waaraan elke partij (dus ook de sector MvT) zich gebonden weet. PMT merkt in dit verband ook op dat het premiebesluit van PMT gebaseerd is op afspraken van sociale partners die over de inhoud van de pensioenregeling gaan. PMT doelt hier op de Vakraad, waarin samengewerkt wordt tussen cao-partijen die de cao’s behorend tot de bedrijfstak Metaal en Techniek afsluiten. Het initiatief voor vaststelling en wijziging van de verdeling van de pensioenpremie komt van de Vakraad. In 2010 is Bovag echter uit de Vakraad gestapt en heeft de cao MvT een zelfstandig bestaansrecht gekregen ten opzichte van de cao Metaal en Techniek.
Kort geding
In de kort gedingprocedure en in spoedappel was kern van het betoog van Bovag dat het aan de sociale partners van de sector MvT is om in de cao de premieverdeling te bepalen en dus niet aan het fondsbestuur (via de Vakraad). De discussie spitst zich dus toe op de bevoegdheidsverdeling tussen betrokkenen in de pensioendriehoek en de reikwijdte van de verplichtstelling.
De kort geding rechter kent doorslaggevende betekenis toe aan de verplichtingen in het kader van de Wet Bpf. Als gevolg van de verplichtstelling moeten de statuten en reglementen worden nageleefd (artikel 4 Wet Bpf). Omdat in het pensioen- en uitvoeringsreglement gerefereerd wordt aan de pensioen­premieverdeling die door het fondsbestuur bepaald wordt, lijkt de rechter te veronderstellen dat de werkgevers en de werknemers op dit punt de onderhandelingsruimte en contracteervrijheid hebben neergelegd bij PMT. Ook merkt de rechter op dat PMT voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de belangen van de werkgevers in de bedrijfstak Metaal en Techniek worden behartigd binnen de Vakraad en dat Bovag door terug te treden uit de Vakraad haar mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de besluitvorming van de Vakraad (kennelijk) definitief heeft prijsgegeven. In het licht van deze omstandigheden concludeert de rechter dat de Bovag onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij gerechtigd is om van de door PMT verplicht vastgestelde premieverdeling afwijkende afspraken te maken. Ook verwijst de rechter naar artikel 8 Wet Bpf, welk artikel een uniforme premie voorschrijft voor de wettelijke pensioen­regeling van PMT.

Spoedappel
Bovag vraagt in het spoedappel een volledige herbeoordeling van de vordering in eerste aanleg. Bovag stelt dat het vaststellen en communiceren door PMT van de bestreden premieverdeling onrechtmatig is jegens haar achterban. Kort samengevat komt het pleidooi van Bovag erop neer dat de sociale partners in het kader van het collectieve arbeids­voorwaardenoverleg bij uitsluiting de bevoegde partijen zijn om de premieverdeling vast te stellen en dus niet het pensioenfondsbestuur. De leden van Bovag voelen zich daarbij niet vertegenwoordigd door de cao-partners in de Vakraad, omdat Bovag zich uit die Vakraad heeft teruggetrokken. Daarnaast stelt Bovag dat het vaststellen van de premieverdeling door PMT in strijd is met artikel 105 lid 2 Pensioenwet; het artikel dat voorschrijft dat het pensioenfondsbestuur moet zorgdragen voor een evenwichtige belangen­behartiging. Het verweer van PMT is vrijwel gelijkluidend aan het verweer in eerste aanleg.
Het hof licht eerst de taak- en bevoegdheidsverdeling binnen de pensioensystematiek toe. Daarbij constateert het hof dat werkgevers/werkgeversverenigingen en werknemers/werknemersverenigingen in gezamenlijk overleg de inhoud van de pensioenovereenkomst bepalen, terwijl de pensioenuitvoerder belast is met de uitvoering van de regeling. Het hof lijkt vervolgens te veronderstellen dat het fonds uitsluitend de inhoud van de pensioenregeling mag bepalen voor zover het volledige georganiseerde bedrijfsleven binnen de bedrijfstak daartoe een mandaat heeft verleend aan PMT. Het hof veronderstelt weliswaar de aanwezigheid van zo’n mandaat, maar niet (meer) tussen Bovag en PMT, namelijk vanaf het moment dat Bovag de Vakraad verlaten heeft. Bovag heeft binnen deze pensioensystematiek als sociale partner volgens het hof het recht om op basis van collectieve onderhandelingen een premieverdeling voor de sector Mvt overeen te komen.
Het hof constateert daarnaast dat PMT geen wettelijke verplichting heeft om de premieverdeling in de reglementen en beleidsregels vast te leggen (dit komt bij veel fondsen ook niet voor). Een verwijzing naar artikel 8 Wet Bpf gaat niet op, omdat naar het oordeel van het hof geen sprake is van onderscheid op basis van (verboden) persoonskenmerken. Tot slot noemt het hof dat PMT in strijd heeft gehandeld met de normen van de evenwichtige belangenbehartiging in de zin van artikel 105 lid 2 Pensioenwet, door geen rekening te houden met de belangen van de Bovag-werkgevers. Daaruit volgt volgens het hof dat PMT onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Bovag-werkgevers en Bovag. In de beslissing van het hof wordt PMT geboden om in alle communicatie-uitingen over de premieverdeling de sector Mvt uit te zonderen.

Terechte uitkomst

Het arrest maakt een duidelijke scheidslijn tussen de partij die bevoegd is om de inhoud van de pensioenregeling te bepalen (werkgever/werknemer) en de partij die bevoegd is om de pensioenregeling uit te voeren. Ik wil de werking van artikel 4 Wet Bpf overigens niet bagatelliseren, nu hierin duidelijk verwoord staat dat de deelnemers onder andere de statuten en de reglementen van het bedrijfstakpensioenfonds moeten naleven. Dat neemt echter niet weg dat – getuige het oordeel van het hof – altijd moet worden nagegaan of datgene wat in de reglementen staat en rechtstreeks ziet op de inhoud van de pensioenregeling, te herleiden is tot afspraken tussen (representatieve) sociale partners en/of door het fondsbestuur opgesteld zijn op basis van een mandaat. In zoverre kan ik mij voorstellen dat deze Bovag-discussie ook voor andere bedrijfstakpensioenfondsen zeer relevant is, zelfs voor die fondsen die de pensioenpremieverdeling niet hebben vastgelegd in het pensioenreglement en ‘dwingend’ opleggen aan de werkgevers.

Natuurlijk zijn er genoeg onderwerpen te bedenken waar niet zo’n makkelijke scheidslijn tussen de inhoud en uitvoering aangebracht kan worden. De pensioenpremieverdeling is echter juist een onderwerp waar wel een duidelijke scheidslijn geldt. Dit raakt direct de inhoudelijke arbeidsvoorwaarde pensioen en niet de uitvoering. Voor de pensioenuitvoerder zou de pensioenpremieverdeling niet eens relevant mogen zijn, nu de volledige premie op grond van artikel 24 Pensioenwet door de werkgever aan het fonds voldaan moet worden.
Het is naar mijn mening een positieve ontwikkeling dat kritisch gekeken wordt naar de scheidslijn tussen inhoud en uitvoering vanuit de wettelijke pensioensystematiek. Zeker in het huidige tijdsbestek waar meerdere governancemodellen bestaan (zelfs besturen met uitsluitend externen), lijkt het mij van groot belang dat slechts die partijen arbeidsvoorwaardelijke verbintenissen in het leven kunnen roepen die door de wetgever zijn aangewezen. Dit zijn ofwel de werkgever en werknemer ofwel de werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties op grond van de Wet CAO.

Door Frederique Hoppers

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.