nieuws

Bestuurdersaansprakelijkheid en disculpatie van een feitelijk bestuurder; HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:522

Branche

De Zuid-Hollandse Glascentrale Beheer B.V. (hierna: ZHG Beheer) is enig aandeelhouder van een zevental werkmaatschappijen. Holdingmaatschappij A B.V. is op haar beurt enig aandeelhouder van ZHG Beheer. De aandelen van de holding waren in handen van twee broers, die in de loop der jaren statutair bestuurder zijn geweest van ZHG Beheer en/of van een of meer van de zeven werkmaatschappijen. Op 31 maart 2006 is het faillissement van ZHG Beheer uitgesproken. Ook de werkmaatschappijen zijn op of rondom die datum failliet verklaard.

Bestuurdersaansprakelijkheid en disculpatie van een feitelijk bestuurder; HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:522

De curatoren stellen de twee broers in hun hoedanigheid van bestuurders aansprakelijk op grond van art. 2:248 lid 1 BW (kennelijk onbehoorlijk bestuur) voor het tekort in de faillissementen van ZHG Beheer en de werkmaatschappijen. Naast deze formele bestuurders is volgens de curatoren ook de echtgenote van één de broers aansprakelijk. Zij moet worden gezien als een feitelijk bestuurder in de zin van 2:248 lid 7 BW. De echtgenote doet een beroep op disculpatie (art. 2:248 lid 3 BW).

De rechtbank veroordeelt de (formele en feitelijke) bestuurders hoofdelijk tot betaling van het tekort in de faillissementen van ZHG Beheer en de werkmaatschappijen. Het beroep van de echtgenote op disculpatie wordt verworpen. Wel wordt het beroep van de feitelijk bestuurder op matiging gehonoreerd. De echtgenote is slechts gedurende een klein gedeelte van de in het kader van de faillissementen relevante periode feitelijke beleidsbepaler geweest. Daarom is zij slechts gehouden is tot betaling van 14% van het totale faillissementstekort.

In hoger beroep acht het hof daarentegen het beroep van de echtgenote op disculpatie gegrond. Het hof weegt mee dat de curatoren de managementvergoedingen als voornaamste oorzaak van de faillissementen noemen. De besluitvorming daarover was echter al een feit op het moment dat de echtgenote haar werkzaamheden aanving. In deze situatie had het volgens het hof op de weg van de curatoren gelegen om het verweer van de echtgenote te weerleggen met argumenten die aannemelijk maken dat de feitelijk bestuurder verwijtbaar zodanige steken heeft laten vallen dat als gevolg daarvan de faillissementen (mede) zijn ontstaan, althans het boedeltekort onnodig is vergroot. De curatoren gaan daarop in cassatie.

De Hoge Raad overweegt dat een bestuurder op grond van artikel 2:248 lid 3 BW niet aansprakelijk is, indien hij bewijst (i) dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en (ii) dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van die onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat de echtgenote heeft bewezen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan haar te wijten is geweest en dat zij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

Door Wim Weterings

 

 

 

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.