nieuws

Antwoord Kamervragen over pensioen IB-ondernemers

Branche

Onlangs heb ik via dit kennisportal aandacht gevraagd voor het nieuwe fiscale kader voor IB-ondernemers. De belangrijkste wijziging per 1 januari 2015 komt erop neer dat voor de IB-ondernemers het Witteveenkader 2015 gaat gelden, zoals dat nu ook voor de werknemerspensioenen geldt. In mijn bijdrage heb ik een aantal knelpunten geformuleerd. Deze knelpunten zagen onder meer op de invulling van de pensioengrondslag, de diensttijd en de toepassing van het 100% maximum. Op 28 januari 2015 hebben de Kamerleden Groot en Vermeij (beide PvdA), aan staatssecretaris Wiebes een aantal vragen over deze wetswijziging gesteld. Bij brief van 17 februari 2015 zijn deze vragen beantwoord.

Antwoord Kamervragen over pensioen IB-ondernemers

De Kamerleden hebben Wiebes de vraag gesteld of hij ervan op de hoogte is dat voor de bepaling van de omvang van de fiscale faciliëring van pensioenopbouw, uitgegaan wordt van de winst uit onderneming uit het kalenderjaar drie jaar voorafgaand aan het jaar van pensioenopbouw. Wiebes beantwoordt deze vraag bevestigend, met dien verstande dat hij een nuancering aanbrengt. Het gaat namelijk om de vaststelling van het maximale inkomen dat voor de fiscale faciliëring in aanmerking mag worden genomen. Met andere woorden: het is fiscaal toegestaan om van een lager bedrag uit te gaan. Bij het werknemerspensioen is dit overigens niet anders.

Ook wordt de vraag gesteld of mag worden afgeweken van het referentiejaar (dus drie jaar voorafgaand aan het jaar van het pensioenopbouw). Daarop laat Wiebes weten dat het in een aantal gevallen is toegestaan om een andere referentieperiode in aanmerking te nemen. Die situaties staan omschreven in de artikelen 11d en 11e van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting. Hierbij gaat het om deelnemers waarvan het pensioengevend inkomen is verlaagd als gevolg van tussentijdse ziekte of arbeidsongeschiktheid en om starters. Voor de zieke of arbeidsongeschikte medewerkers komt de speciale situatie erop neer dat voor het fiscale maximum mag worden uitgegaan van de gemiddelde (gecorrigeerde) winst uit onderneming in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Beide Kamerleden hebben overigens ook een kritische vraag gesteld over hoe het referentiejaar uitpakt. Naar de mening van de Kamerleden pakt het referentiejaar soms erg ongelukkig uit. De Kamerleden schetsen daarbij een situatie waarin een fysiotherapeut in 2013 arbeidsongeschikt raakt, terwijl voor de pensioenpremie 2015 wordt gekeken naar de winst uit onderneming in 2012, met tot gevolg dat de therapeut meer dan het dubbele van zijn huidige inkomen aan pensioenpremie moet betalen. Wiebes merkt hierbij op dat het fiscaal altijd is toegestaan om van een lager bedrag uit te gaan dan het bedrag dat ten hoogste als pensioengevend loon in aanmerking mag worden genomen. Weliswaar is dit juist, maar dan zullen sociale partners dit wel zo moeten vastleggen. Leggen sociale partners in het pensioenreglement (ongeacht de situatie) voor een pensioengevend inkomen gerelateerd aan de winst uit onderneming in de drie jaar voorafgaand aan het jaar van de pensioenopbouw vast, dan wordt de fysiotherapeut nog steeds met dit nadelige effect geconfronteerd. Sociale partners zijn hier dus aan zet. Pensioenfondsbestuurders hebben hierin weinig discretionaire bevoegdheid, omdat zij afhankelijk zijn van wat hierover in de pensioenregeling/pensioenovereenkomst door sociale partners is vastgelegd. Dit laatste wordt door Wiebes bevestigd.

Door Frederique Hoppers

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.