nieuws

Hof toetst ambtshalve aan richtlijn consumentenkoop: Verkoper mag niet bedingen dat consumentkoper alleen per aangetekende post kan klagen

Branche

Over de klachtplicht is met name het laatste decennium veel te doen geweest. Terugkerende onderwerpen waren onder meer de klachttermijn, de belangenbenadeling door het niet-tijdig klagen en de bewijslastverdeling in een procedure. In een recent arrest heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden daaraan een onderwerp toegevoegd. De vraag die voorlag was of van een consumentkoper verlangd mag worden dat hij per aangetekende brief klaagt. Het gerechtshof beantwoordt die vraag ontkennend.

Hof toetst ambtshalve aan richtlijn consumentenkoop: Verkoper mag niet bedingen dat consumentkoper alleen per aangetekende post kan klagen

Hoe zit het ook alweer?
Een partij die vindt dat zijn wederpartij gebrekkig heeft gepresteerd, moet binnen bekwame tijd nadat hij dat heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken bij zijn wederpartij protesteren. Doet hij dat niet, dan kan hij op de gebrekkige prestatie geen beroep meer doen, aldus artikel 6:89 BW. Artikel 7:23 BWbevat een met artikel 6:89 BW vergelijkbare bepaling, die specifiek betrekking heeft op koopovereenkomsten.
Het protest uit artikel 6:89 BW en artikel 7:23 BW is vormvrij. Protesteren hoeft dus niet schriftelijk – al verdient dat uit bewijsrechtelijk oogpunt wel de voorkeur – maar mag ook mondeling. Het staat partijen echter in beginsel vrij om daarvan af te wijken en bij overeenkomst andere afspraken te maken over de vorm waarin het protest dient te geschieden.
In beginsel, want uit een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (“gerechtshof”) van 6 oktober 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:7448) blijkt dat die vrijheid bij een overeenkomst tussen een professionele verkoper en een consumentkoper ontbreekt.

Onderliggende casus
De procedure draaide om een drietal op maat gemaakte haarwerken, die een consument bij een professionele partij had gekocht. Geen van beide partijen had volledig voldaan aan de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen; de verkoper had slechts een deel van de haarwerken geleverd en de koper had slechts een deel van de koopprijs voldaan.
Op enig moment is de verkoper een procedure gestart, waarin zij betaling vorderde van het nog niet betaalde deel van de koopprijs.
De koper beriep zich op opschorting en vorderde op haar beurt ontbinding van de koopovereenkomst en terugbetaling van het al betaalde deel van de koopprijs. Ter onderbouwing voerde de koper aan dat de haarwerken niet aan haar verwachting voldeden.

In eerste aanleg is de koper volledig in het gelijk gesteld, waarna de verkoper in hoger beroep is gegaan.Daarin voerde de verkoper onder andere aan dat de koper niet aan haar klachtplicht had voldaan. Weliswaar stond vast dat (de advocaat van) de koper per brief bij de verkoper had geklaagd, maar volgens de verkoper had dat protest niet de vereiste vorm. Artikel 6 van de toepasselijke algemene voorwaarden bepaalde namelijk dat klachten slechts in behandeling zouden worden genomen, indien deze de verkoper per aangetekende brief hadden bereikt. De brief van (de advocaat van) de koper was per gewone post verzonden.

Oordeel van het gerechtshof
De koper had zich niet verweerd tegen het beroep op artikel 6 van de algemene voorwaarden. Het gerechtshof heeft echter ambtshalve beoordeeld of het de verkoper vrijstond om te bedingen dat de koper per aangetekende post diende te protesteren. Ik beperk me in dit artikel tot die rechtsvraag.
Artikel 7:23 BW is deels – voor zover het betrekking heeft op consumentkopers – het resultaat van de implementatie van de Richtlijn consumentenkoop (Richtlijn 1999/44/EG). In artikel 5 lid 2 van die richtlijn is bepaald dat “lidstaten kunnen bepalen dat de consument zijn rechten niet kan uitoefenen dan wanneer hij de verkoper binnen een termijn van twee maanden na de datum waarop hij het gebrek aan overeenstemming heeft vastgesteld, hiervan op de hoogte heeft gebracht”. De Nederlandse wetgever heeft die bepaling geïmplementeerd in artikel 7:23 lid 1 BW.

Met de arresten Duarte Hueros (HvJ EU 3 oktober 2013, C-32/12) en Faber (HvJ EU 4 juni 2015, C-497/13) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Hof van Justitie”) duidelijk gemaakt dat ten aanzien van de Richtlijn consumentenkoop van nationale rechters een actieve rol wordt verwacht. In deze zaak heeft het gerechtshof aan die actieve rol invulling gegeven, door artikel 7:23 lid 1 BW ambtshalve toe te passen en daarbij richtlijnconform uit te leggen.

Het gerechtshof heeft zich bij die uitleg vooral gebaseerd op het Faber-arrest. Daarin heeft het Hof van Justitie ten aanzien van de klachtplicht geoordeeld dat “de aldus aan de consument opgelegde verplichting niet verder gaat dan de verplichting om de verkoper op de hoogte te brengen van het bestaan van een gebrek aan overeenstemming” en dat “een lidstaat geen eisen [mag] stellen die de uitoefening door de consument van de door hem aan richtlijn 1999/44 ontleende rechten onmogelijk of uiterst moeilijk kunnen maken”.
Het gerechtshof leidt daaruit af “dat een lidstaat in een nationale regel (en dus ook een verkoper […] in zijn algemene voorwaarden) niet mag eisen dat de consument (slechts) bij aangetekend schrijven de verkoper op de hoogte kan brengen van een gebrek aan overeenstemming”. Hoewel dat niet met zoveel woorden in het arrest staat, acht het gerechtshof artikel 6 van de algemene voorwaarden dus nietig.

Betekenis van de uitspraak
De betekenis van de uitspraak is in die zin beperkt, dat het arrest enkel ziet op consumentenkoop. De uitspraak laat dus onverlet dat professionele partijen in beginsel wel kunnen afwijken van het uitgangspunt dat het protest uit artikel 6:89 BW en artikel 7:23 BW vormvrij is. Het arrest geeft daarnaast geen uitsluitsel over andere consumentenovereenkomsten dan koop.

Kanttekening bij de uitspraak
Op het oordeel van het gerechtshof lijkt op zichzelf weinig af te dingen. Wel vraag ik me af of het gerechtshof een gelukkige route heeft gekozen om tot dat oordeel te komen. Het gerechtshof diende in dit geval te oordelen of aan een klacht een vormvereiste mag worden gesteld, meer concreet of van een consumentkoper mag worden verlangd dat hij dat per aangetekende brief doet. Het gerechtshof heeft het (ontkennende) antwoord op die vraag volledig gebaseerd op het Faber-arrest. De prejudiciële vragen die het Hof van Justitie daarin diende te beantwoorden, hadden echter geen betrekking op de vorm van de klacht, maar op de inhoud – wat moet de koper precies aanvoeren? – en het bewijs – wie moet aantonen dat (on)tijdig is geklaagd:

  • Het gerechtshof verwijst in zijn motivering nadrukkelijk naar r.o. 62 van het Faber-arrest, waarin is geoordeeld dat “de aldus aan de consument opgelegde verplichting niet verder gaat dan de verplichting om de verkoper op de hoogte te brengen van het bestaan van een gebrek aan overeenstemming”. Die overweging lijkt echter samen te moeten worden gelezen met r.o. 63, die uitsluitend betrekking heeft op de inhoud van de klacht. Een bevestiging daarvan vind ik in het perscommuniqué, dat het Hof van Justitie naar aanleiding van het Faber-arrest heeft gepubliceerd. De twee overwegingen worden daarin gezamenlijk besproken en slechts in het kader van de aan de inhoud te stellen eisen.
  • Het gerechtshof verwijst verder naar r.o. 64 en 65 van het Faber-arrest. Ook die verwijzing lijkt mij niet zuiver. De betreffende overwegingen zien namelijk op de bewijsregels die gelden indien een verkoper zich beroept op schending van de klachtplicht. In dat kader heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het de koper niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag worden gemaakt om zijn rechten uit te oefenen. De eis dat een klacht per aangetekende brief moet worden gedaan is echter geen bewijsregel, maar een vormvereiste. Of die eis nietig is, blijkt dan ook niet uit de genoemde overwegingen.

Uiteraard volgt uit het voorgaande niet a contrario dat de eis van een aangetekende brief bij consumentenkoop niet nietig is, maar op het Faber-arrest kan het oordeel mijns inziens niet worden gebaseerd. Het gerechtshof had wat mij betreft beter één van de volgende twee routes kunnen bewandelen.

Het gerechtshof had er in de eerste plaats voor kunnen kiezen het beding te toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (Richtlijn 93/13/EEG). Het is namelijk vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat nationale rechters in geval van een consumentenovereenkomst ambtshalve moeten toetsen of een beding in algemene voorwaarden in strijd is met die richtlijn. Dat de eis van een aangetekende brief onredelijk bezwarend is lijkt goed verdedigbaar, zeker nu in dit geval niet ter discussie stond dát was geklaagd en nota bene schriftelijk.

In de tweede plaats had het gerechtshof kunnen aanknopen bij artikel 7:6 lid 1 BW. Daarin is bepaald dat van (onder andere) artikel 7:23 BW niet ten nadele van de consumentkoper kan worden afgeweken. Artikel 7:23 BW is bij consumentenkoop dus van (semi-)dwingend recht. Nu artikel 7:23 BW geen vormvereiste stelt, is goed verdedigbaar dat de eis van een aangetekende brief een afwijking ten nadele van de consumentkoper is en dat die eis dus in strijd is met dwingend recht.

Het gerechtshof heeft echter zijn eigen weg gekozen.

Door: Pieter Bloemendal

 

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.