nieuws

Hoe stuit ik de verjaring van mijn vordering?

Branche

Stuiting door een daad van rechtsvervolging

Hoe stuit ik de verjaring van mijn vordering?

Het Burgerlijk Wetboek noemt drie manieren waarop verjaring kan worden gestuit. De eerste manier is een daad van rechtsvervolging. Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 3:316 BW. Het hoeft niet de schuldeiser zelf te zijn die de daad van rechtsvervolging instelt. Ook vereenzelviging met de schuldeiser is geen vereiste. Slechts vereist is dat de daad van rechtsvervolging aan de schuldeiser kan worden toegerekend. De initiële daad van rechtsvervolging hoeft overigens niet van de zijde van de schuldeiser te zijn ingesteld. Verjaring ook worden gestuit door bijvoorbeeld een reconventionele vordering.

Stuiting door erkenning

Naast een daad van rechtsvervolging stuit erkenning (artikel 3:318 BW) verjaring. Erkenning van het recht van de schuldeiser wordt gedaan door de schuldenaar (of een vertegenwoordiger) en kan zowel mondeling als schriftelijk, maar hoeft niet expliciet.

Deze beide stuitingssituaties waren in de hierboven genoemde zaak niet aan de orde. In de aangehaalde zaak ging het om de meest besproken vorm van stuiting: het ‘stuitingsbriefje’.

Stuiting door een schriftelijke aanmaning of mededeling

Ingevolge art. 3:317, eerste lid, BW kan verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis worden gestuit door een ‘schriftelijke aanmaning’ of ‘een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt’. De gedachte achter de ‘mededeling’ in dit artikel is dat het niet altijd wenselijk is (de parlementaire geschiedenis noemt de situatie waarin partijen met elkaar in onderhandeling zijn) om een wederpartij schriftelijk aan te manen. Het is daarom ook toegestaan om in plaats van het sturen van een aanmaning schriftelijk mede te delen dat alle rechten op nakoming worden voorgehouden. Let wel: het gaat om de nakoming van een verbintenis (waaronder ook een vordering tot schadevergoeding valt). Voor andere rechtsvorderingen geldt artikel 3:317 lid 2 BW, dat een ‘schriftelijke aanmaning’, binnen zes maanden gevolgd door een daad van rechtsvervolging, vereist.

Het voorbehouden van een recht op nakoming dient uitdrukkelijk te geschieden. De Hoge Raad heeft bepaald dat moet gaan om ‘een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren’ (HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244).

De juridische grondslag voor de vordering van de schuldeiser hoeft ten tijde van de stuiting overigens nog niet kenbaar te worden gemaakt. Het is verder goed om helder te houden dat ook tijdens het voeren van onderhandelingen een stuitingshandeling als hiervoor besproken vereist blijft. Onderhandelingen stuiten verjaring in principe niet. Uitzonderingen zijn echter mogelijk: vergelijk artikel 10 lid 5 van de WAM en het artikel dat mijn collega Nynke Brouwer daarover schreef.

Beoordeling van de casus

Terug naar de casus. De schuldeiser schreef aan de schuldenaar: “Ik zou graag binnen twee dagen contact met elkander hebben, anders ben ik genoodzaakt om andere maatregelen te nemen”. De rechtbank oordeelde dat de verjaring van de vordering van de schuldeiser hiermee was gestuit. De schuldenaar werd veroordeeld tot betaling van de door hem verschuldigde geldsom. In deze zaak stond niet ter discussie of er was voldaan aan het vereiste van een ‘schriftelijke aanmaning’ of een ‘ondubbelzinnige mededeling’.

Had de schuldeiser met de hiervoor weergegeven mededeling zijn recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehouden? Ik ben geneigd te zeggen nee. Zijn wil om ook na de verjaringstermijn zijn vordering nog geldend te maken komt onvoldoende naar voren. De schuldeiser had veel explicieter moeten zijn over het voorbehouden van zijn rechten om het risico dat de e-mail niet als stuitingshandeling werd aangemerkt te vermijden. Het is naar mijn oordeel voor de schuldeiser gunstig dat over dit punt in rechte geen discussie is gevoerd. De rechter heeft de status van de e-mail daarmee niet hoeven beoordelen.

En de klachtplicht?

Binnenkort zal ik uiteenzetten op welke wijze een in dit artikel besproken ‘mededeling’ verschilt van het uiten van een klacht als bedoeld in artikel 6:89 BW. Een dergelijke klacht dient vaak geruime tijd eerder te worden geuit, maar is aan minder strenge eisen onderworpen.

Door: Rob Tijdink

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.