nieuws

Wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader (FTK)

Branche

Eind juni heeft staatssecretaris Klijnsma het Wetsvoorstel aanpassing FTK naar de Tweede Kamer gezonden. Het gaat om noodzakelijk grootonderhoud van de spelregels die bepalen hoe een pensioenfonds er financieel voorstaat. Dit is van belang voor de direct betrokkenen: de (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en werkgevers. Zij moeten weten hoe “zeker” de opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten zijn. Kan er geïndexeerd worden of moet er gekort worden? En natuurlijk alles wat daartussen zit.

Wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader (FTK)

Klijnsma maakt onderscheid tussen verschillende onderdelen: stabiliteit, premiedemping op basis van verwacht rendement en herstelplannen. Doel is meer stabiliteit te bewerkstelligen in het beheer van pensioenvermogens. Daarbij is van belang voldoende buffers op te bouwen. Hiervoor moeten de geldende parameters van het FTK geactualiseerd worden. Dit gebeurt op basis van advies van een onafhankelijke commissie. Daarnaast moet de UFR-methodiek (ultimate forward rate) geactualiseerd worden. Dit is de methodiek om een goede rentecurve te hanteren voor de waardering van de pensioenverplichtingen in de (verre) toekomst.

Premiedemping

Uitgangspunt blijft een kostendekkende premie. Demping van de in rekening te brengen periodieke pensioenpremie kan alleen evenwichtig zijn, indien bij een ongunstig scenario ten opzichte van de verwachting nog sprake blijft van een kostendekkende premie. Een onafhankelijke Commissie van Deskundigen zal periodiek vaststellen met welk verwacht rendement van de beleggingsportefeuille rekening gehouden mag worden, op basis van realistische verwachtingswaarden. Hierdoor moeten zowel het nominale pensioen als de (voorwaardelijke) indexatie gewaarborgd worden.

Herstelplansystematiek

De periode van een dekkingstekort (MVEV < 105%) wordt verkort naar 5 jaar. Dit gebeurt door de introductie van de regel dat fondsen die 5 jaar achtereenvolgens een dekkingstekort hebben, maatregelen moeten treffen die ertoe leiden dat de dekkingsgraad direct herstelt tot het MVEV (105%). Dus niet een herstelplan dat zich uitstrekt over een periode van 10 jaar om het tekort in de dekkingsgraad weg te werken. Dit alles gebeurt binnen de bandbreedte, dat de dekkingsgraad in een kalenderjaar wordt bepaald aan de hand van een 12-maandsgemiddelde, de zogenaamde beleidsdekkingsgraad. Verder moet in maximaal 10 jaar de dekkingsgraad uitkomen op een VEV van 125%.

Mee- en tegenvallers

Het kabinet handhaaft de bijzondere uitstelmogelijkheid in haar huidige vorm om rekening te houden met onvoorziene omstandigheden. Kern blijft dat de reeds bestaande uitkeringsovereenkomst als uitgangspunt wordt genomen. Het onderscheid tussen de toegezegde nominale pensioenaanspraak en de voorwaardelijke indexatie blijft bestaan. Het uitgangspunt van een vaste en harde nominale pensioenaanspraak kan op gespannen voet komen met de lange termijn ­ambitie om tegen aanvaardbare kosten een (voorwaardelijk) geïndexeerd pensioen te realiseren. Communicatie hierover vindt allereerst plaats via de haalbaarheidstoets (die de continuïteitsanalyse van artikel 143 lid 2 onderdeel d Pensioenwet vervangt). Hierin moet worden vastgelegd hoe het fondsbestuur zal omgaan met eventuele financiële schokken, waaronder ontwikkelingen in de levensverwachting. Verder moet beleid worden ontwikkeld en gecommuniceerd met betrekking tot (inhaal)indexatie en wanneer overgegaan zal worden tot premiekorting. Fondsen worden verplicht vooraf een financieel crisisplan op te nemen in de actuariële en bedrijfs­technische nota (abtn). Zo worden de fondsbesturen gedwongen op voorhand na te denken over de risico’s die samenhangen met de uitvoering van de pensioenregeling en hierover adequaat te communiceren. Het VEV, de buffer bovenop het bedrag dat nodig is voor de nominale verplichtingen, stijgt gemiddeld van 21,7 naar 26,6%. Dit moet waarborgen dat het uitgangspunt gehaald wordt dat met een statistische zekerheid van 97,5% voorkomen wordt dat het vermogen van het fonds binnen één jaar minder bedraagt dan de verplichtingen.

Reacties

Tot nu toe is overwegend gematigd positief gereageerd op het wetsvoorstel van Klijnsma. Na verdere bestudering door de verschillende deskundigen, zal moeten blijken of deze eerste positieve reacties stand houden. Er zal met name nog kritisch gekeken moeten worden naar de doelstelling om de solidariteit tussen de generaties evenwichtig vorm te geven. Het zogeheten toekomstbestendig indexeren kan per fonds leiden tot scheve uitkomsten en dus tot verdere/ nieuwe spanningen tussen de generaties. Er zal dan ook op het niveau van de individuele pensioenfondsen gekeken moeten worden hoe het wetsvoorstel uitpakt aan de hand van het doorrekenen van verschillende scenario’s. Een meer algemeen punt van kritiek is dat de kans op indexatie volgens de nieuwe regels eerder afneemt dan toeneemt. Hierdoor komt het uitgangspunt in gedrag, dat gestreefd wordt naar een geïndexeerd pensioen.

Door: Henk Hoving

Reageer op dit artikel