nieuws

Geen premiebetaling, toch dekking?

Branche

Indien sprake is van een oneerlijk beding als bedoeld in de richtlijn oneerlijke bedingen moet dat beding ambtshalve worden vernietigd. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een beding dat voorziet in schorsing van de (dekking onder de) verzekeringsovereenkomst, maar niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7:934 BW (verplichte aanmaning met 14-daagse betalingstermijn ingeval van wanbetaling) . In dat geval volgt bij wanbetaling niet de beoogde schorsing, zelfs niet als de betalingstermijn in voornoemd artikel wel is geboden.

Geen premiebetaling, toch dekking?

 

Eiser heeft een ongevallenverzekering afgesloten. In de polisvoorwaarden is een beding opgenomen dat bepaalt dat een ingebrekestelling door assuradeuren niet is vereist ingeval van een achterstand in premiebetaling en dat dergelijke wanbetaling met zich brengt dat de (dekking onder de) verzekeringsovereenkomst is geschorst.

Eiser had op een gegeven moment een achterstand in premiebetaling. De verzekeraar heeft diverse malen een aanmaning gestuurd en heeft gewezen op de gevolgen van wanbetaling. Tijdens een vakantie is eiser gewelddadig beroofd, ten gevolge waarvan hij ernstige schade heeft opgelopen. In geschil was of de achterstand in premiebetaling schorsing van de (dekking onder de) verzekeringsovereenkomst tot gevolg had. Na op 18 december 2013 tussenvonnis te hebben gewezen, wees de rechtbank Amsterdam op 23 juni 2014 eindvonnis in deze kwestie.

De betalingstermijn van artikel 7:934 BW

Artikel 7:934 BW bepaalt dat een achterstand van betaling van vervolgpremie – dus die na de eerste premiebetaling – kan leiden tot schorsing van de (dekking onder de) verzekeringsovereenkomst, indien een aanmaning tot betaling binnen 14 dagen vruchteloos is gebleken. Dit artikel is dwingendrechtelijk van aard voor consumenten die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 7:943 lid 3 BW).

Eiser stelde in deze kwestie dat het betreffende beding in de polis jegens hem onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:236/237 jo. 6:233 BW, aangezien is bedongen dat geen ingebrekestelling nodig is bij wanbetaling. De rechtbank gaat hierin mee door te bepalen dat een dergelijk beding vernietigbaar is ex artikel 3:40 lid 2 BW en bovendien kwalificeert de rechtbank het beding als onredelijk bezwarend als bedoeld in artikel 6:233 sub a BW.

In een andere zaak had de verzekeraar haar mededelingsplicht conform artikel 7:934 BW  verzuimd door geen aanmaning te zenden en op het risico bij wanbetaling  te wijzen. In haar vonnis van 30 augustus 2013 bepaalde de rechtbank Rotterdam daarom dat van schorsing van de verzekerde dekking geen sprake kon zijn.

Ambtshalve toepassing richtlijn oneerlijke bedingen

Artikel 6:233 sub a BW werd in onderhavige kwestie door de rechtbank Amsterdam uitgelegd aan de hand van de richtlijn oneerlijke bedingen. Hierop was door eiser geen beroep gedaan, maar niettemin oordeelde de rechtbank:

Dat [eiser] geen beroep heeft gedaan op strijdigheid met de Richtlijn doet niet ter zake nu de rechtbank ambtshalve gehouden is te toetsen aan de Richtlijn, hetgeen betekent dat indien de rechter over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te vermoeden dat een overeenkomst onder het bereik van de Richtlijn valt en een beding bevat dat oneerlijk is, hij daarnaar onderzoek dient te doen, ook indien daarop gerichte stellingen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd.

Dit is in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:691), waarin werd geoordeeld dat de (appel)rechter in beginsel gehouden is ambtshalve na te gaan of een beding in algemene voorwaarden oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Ook strookt deze uitleg met de rechtspraak van het Hof van Justitie EU, waarin is bepaald dat een (nationale) rechter daartoe ambtshalve gehouden is (vgl. HvJ EU 14 juni 2012, C-618/10). Blijkt een beding oneerlijk, dan dient deze (ambtshalve) vernietigd te worden.

Een ander oordeel zou afbreuk doen aan de afschrikwekkende werking van de sanctie van niet-toepassing van het beding en het in artikel 7 lid 1 van de Richtlijn geformuleerde doel om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten.

Schorsingsbeding is niet splitsbaar en geen kernbeding

De verzekeraar verweerde zich onder meer door te stellen dat het litigieuze beding splitsbaar is, in die zin dat het schorsingsrecht en de voorwaarden daarvoor los van elkaar kunnen worden gezien. De rechtbank gaat hierin niet mee, aangezien de betreffende voorwaarden in één artikel staan vermeld en gezamenlijk de contractuele grondslag vormen voor de schorsing.

De verzekeraar trachtte voorts onder vernietiging van het schorsingsbeding uit te komen door te stellen dat het een kernbeding (in de zin van artikel 6:231 sub a BW) betreft. Een kernbeding behoort tot de essentialia van een overeenkomst zonder welke een overeenkomst – bij gebreke aan voldoende bepaalbaarheid – niet tot stand komt. De rechtbank oordeelde echter dat het schorsingsbeding geen wezenlijk onderdeel is van de verzekeringsovereenkomst. Goed denkbaar is immers dat geen schorsingsbepaling wordt opgenomen en dat uitsluitend een beëindigingsmogelijkheid bij wanbetaling wordt opgenomen.

Ook een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid bood de verzekeraar geen soelaas, gelet op de richtlijn en de dwingendrechtelijke aard van artikel 7:934 BW.

Aanmaning zonder beoogde rechtsgevolg

Daarnaast mocht het verweer van de verzekeraar dat diverse aanmaningen zijn verzonden en daarmee feitelijk is voldaan aan het bepaalde van artikel 7:934 BW niet baten. Volgens de rechtbank is sprake van een aanzienlijke verstoring van de richtlijn door te bedingen dat de verzekeringsdekking bij wanbetaling zonder ingebrekestelling reeds wordt geschorst. Dat de verzekeraar geen uitvoering zou hebben gegeven aan de door haar bedongen mogelijkheid de dekking zonder ingebrekestelling te schorsen, doet hier niet aan af. De rechtbank lijkt hieraan de conclusie te verbinden dat de schorsingsmogelijkheid ex artikel 7:934 BW überhaupt toepassing mist wegens het – vanwege de vernietiging ervan – ontbreken van een schorsingsbeding.

Conclusie en aanbeveling

Een beding in een (particuliere) verzekeringsovereenkomst waarin ten nadele van de verzekerde wordt afgeweken van de termijn voor (vervolg)premiebetaling als bedoeld in artikel 7:934 BW, dient ambtshalve door de rechter getoetst te worden aan de richtlijn oneerlijke bedingen en vervolgens vernietigd te worden.

Ondanks het feit dat de verzekeraar herhaaldelijk heeft aangemaand en betaling uitbleef, was geen sprake van schorsing van de dekking. Het schorsingsbeding wordt als gevolg van de vernietiging geacht nooit te hebben bestaan, en zonder een dergelijk beding kan van schorsing bij wanbetaling geen sprake zijn, aanmaning of geen aanmaning.

Voor verzekeraars is het daarom bij particuliere verzekeringen essentieel om het premiebetalingsbeding in de polis in lijn met de wetgeving te redigeren, en bij het uitblijven van premiebetaling het bepaalde in artikel 7:934 BW strikt in acht te nemen.

Door: Daan Baas

Reageer op dit artikel