nieuws

Klachtplicht (art. 7:23 BW): aanvang termijn waarbinnen moet worden geklaagd

Branche

Rechtsvraag: kan, indien een gebrek groter of van andere aard is dan aanvankelijk gedacht, aan een beroep op dat andere gebrek in de weg staan dat is nagelaten onderzoek te doen na ontdekking van het aanvankelijke gebrek?

Klachtplicht (art. 7:23 BW): aanvang termijn waarbinnen moet worden geklaagd

Op 9 mei 2014 heeft de Hoge Raad wederom een arrest gewezen op het gebied van de klachtplicht, ditmaal die van artikel 7:23 BW (klachtplicht bij non-conformiteit), maar de door de Hoge Raad gegeven rechtsregel is evengoed van toepassing op artikel 6:89 BW (de ‘generieke’ klachtplicht).

Aan de orde was de vraag op welk moment de termijn begint te lopen, waarbinnen de koper er de verkoper kennis van dient te geven dat hetgeen is afgeleverd (volgens de koper) niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. Deze bepaling (art. 7:23 BW) beschermt de verkoper tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, door voor de koper een korte termijn voor te schrijven om over het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst te klagen, op straffe van verlies van het recht om zich op non-conformiteit te beroepen. De vraag wanneer binnen de bekwame tijd als bedoeld in art. 7:23 BW is gereclameerd kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar is afhankelijk van alle omstandigheden ven het geval, waarbij de termijn waarbinnen is geklaagd een substantiële rol speelt.

In de onderhavige kwestie ging het om de koop van een gebouw. Na de levering was bij een asbestinventarisatie d.d. 16 april 1999 op diverse plaatsen in het gebouw hechtgebonden asbest geconstateerd en in de kelder ook niet-hechtgebonden asbest. Die laatste vorm van asbest heeft het risico dat vezels vrijkomen, die – bij inademing – tot asbestbesmetting kunnen leiden. De koper achtte de aard, omvang en locatie van het aangetroffen asbest niet dermate relevant, dat ter zake bij de verkoper geklaagd moest worden. De geconstateerde aanwezigheid van asbest bracht niet mee dat het gebouw niet overeenkomstig de bestemming als kantoorpand te gebruiken was (in die zin leverde het dus geen gebrek op).

Tijdens verbouwingswerkzaamheden is, eind oktober 2000, ook niet-hechtgebonden asbest aangetroffen in het gebouw boven de kelder.

Na een aanvullend onderzoek direct na de ontdekking van het niet-hechtgebonden asbest heeft de koper ter zake bij de verkoper op 7 december 2000 gereclameerd c.q. de verkoper aansprakelijk gesteld. De verkoper beriep zich onder meer op art. 7:23 BW, stellende dat de koper niet tijdig had geklaagd.

Nadat de rechtbank de vordering van de koper had afgewezen op de grond dat niet tijdig was geklaagd, oordeelde het hof anders. Het hof overwoog dat – anders dan bij hechtgebonden asbest – de aanwezigheid van niet-hechtgebonden asbest in het gebouw, aan het gebruik daarvan als kantoorpand in de weg staat. Dat gebrek is (pas) eind oktober 2000 ontdekt en de klacht – na een kort onderzoek – op 7 december 2000 was naar het oordeel van het hof daarom tijdig, tenzij uit het asbestinventarisatie-rapport uit april 1999 door de koper had moeten worden opgemaakt dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat zich ook in het gebouw boven de kelder niet-hechtgebonden asbest zou bevinden, in welk geval het op haar weg had gelegen om daarnaar onderzoek te laten verrichten. Om te kunnen beoordelen of dat het geval was, had het hof een deskundige benoemd die oordeelde dat voor de gemiddelde deskundige niet uit het asbestinventarisatie-rapport uit april 1999 viel op te maken dat bedoelde kans bestond. Daarvan uitgaand had de koper volgens het hof tijdig geklaagd en was de vordering tot schadevergoeding toewijsbaar.

Verkoper ging in cassatie bij de Hoge Raad en stelde dat de klachttermijn reeds ging lopen na de ontdekking in april 1999 van de hechtgebonden asbest in het gebouw en niet-hechtgebonden asbest in de kelder. Daartoe stelde de verkoper dat een koper de aanvang van de in art. 7:23 lid 1 BW bedoelde klachttermijn niet kan opschuiven door zich selectief te beroepen op non-conformiteit. Aangezien reeds in april 1999 is ontdekt dat asbest aanwezig was in het gebouw, had moeten worden beoordeeld of de koper binnen bekwame tijd na die datum (en dus niet na oktober 2000) heeft geklaagd, aldus de verkoper.

De Hoge Raad laat echter het oordeel van het hof in stand. Dat oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is evenmin onbegrijpelijk. De Hoge Raad motiveert zijn beslissing door te overwegen dat de koper niet elk door hem ontdekt gebrek aan de verkoper moet melden. Het is aan de koper om te bepalen of hij zich jegens de verkoper op een gebrek wil beroepen. Wel laat dat, aldus de Hoge Raad, onverlet dat indien de koper later ontdekt dat het gebrek van groter omvang of van andere aard is dan hij aanvankelijk dacht, of een (volgens hem) ander gebrek constateert, aan een beroep op dat gebrek in de weg kan staan dat hij na zijn aanvankelijke ontdekking geen nader onderzoek heeft gedaan of laten doen, terwijl dat in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van hem kon worden verwacht.

Bij de beoordeling of aan de klachtplicht is voldaan, dient dus het door de koper aan haar vordering ten grondslag gelegde gebrek tot uitgangspunt te worden genomen, met dus de nuance daarbij dat als dit gebrek in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs eerder ontdekt had kunnen worden, de klachttermijn toch eerder kan zijn gaan lopen dan de dag waarop het gebrek feitelijk is ontdekt.

Reageer op dit artikel