nieuws

De letselschade-uitkering bij echtscheiding; voor verknochtheid moet de uitkering in ieder geval wel te specificeren zijn

Branche

Op 14 juni jl. becommentarieerde ik het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 april jl. (ECLI:NL:GHAMS: 2014:1514/200.135.571/01) in welk arrest aan de orde was of (een deel van) de letselschade-uitkering na de echtscheiding en bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap daar buiten kon blijven. Dit dan in verband met mogelijke verknochtheid. Het hof oordeelde in navolging van de Hoge Raad van wel, waarbij met name gedacht werd aan het smartengeld.

De letselschade-uitkering bij echtscheiding; voor verknochtheid moet de uitkering in ieder geval wel te specificeren zijn

Inmiddels heeft het hof Arnhem-Leeuwarden (met zittingsplaats Leeuwarden) zich over een soortgelijke kwestie uitgelaten. En wel bij arrest van 13 mei jl. (ECLI:NL:GHARL:2014: 4137). Ook dit hof oordeelde dat (een deel van) een letselschade-uitkering verknocht kan zijn en aldus bij de boedelscheiding bij een echtscheiding buiten de gemeenschap kan blijven. Om te kunnen oordelen of daarvan sprake was in de casus die het hof had te beoordelen moest volgens het hof allereerst wel vaststaan of de letselschade-uitkering (geheel of een deel daarvan) ten tijde van de echtscheiding (boedelverdeling) nog wel aanwezig was. Met andere woorden: was de ontvangen geldsom (de letselschade-uitkering) te midden van al het aanwezige geld nog als een afzonderlijk goed te onderkennen.

De man die in de casus die het hof had te beoordelen een beroep deed op verknochtheid, had de letselschade-uitkering laten bijschrijven op een betaalrekening waarop ook andere bedragen waren bijgeschreven en waarvan ook betalingen waren gedaan (bijvoorbeeld naar een beleggingsrekening). Aldus kon door het hof niet worden vastgesteld of de letselschade-uitkering op het moment van de boedelverdeling nog aanwezig was; nog als zodanig was te specificeren. Het hof oordeelde vervolgens dat dan ook niet kon worden vastgesteld of er sprake was van verknochtheid. De mogelijk nog aanwezige letselschade-uitkering (die kon immers niet gespecificeerd worden) werd aldus op gelijke voet tussen de voormalige echtelieden gedeeld. Het beroep van de man op verknochtheid kon immers door het hof niet goed worden beoordeeld (was er nog wel wat over van de eerder ontvangen letselschade-uitkering?) en aldus kon het beroep op verknochtheid niet worden gehonoreerd.

De les moet zijn dat een letselschade-uitkering – wil men in de toekomst überhaupt een beroep kunnen doen op verknochtheid – het best kan worden bijgeschreven op een aparte rekening waarover men een aparte administratie voert. Aldus kan steeds – ook na het verstrijken van de nodige tijd – worden vastgesteld dat het wat deze geldsom betreft om een letselschade-uitkering ging. Lukt dat niet, dan mislukt een beroep op verknochtheid dus zonder meer.

Een handige tip dus om als belangenbehartiger aan de letselschadecliënt mee te geven op een moment dat de letselschadezaak is afgerond en er door de (verzekeraar van de) aansprakelijke partij betaald is.

Men weet immers niet hoe het in de toekomst verloopt (in de praktijk zien wij regelmatig dat bij zwaar letsel van de ene partner dat een te grote belasting geeft voor de relatie en dat deze dus strandt) en het zou zonde zijn om iets te moeten delen wat men liever niet (meer) deelt enkel omdat de financiële administratie niet duidelijk is gevoerd.

Overigens doet men er goed aan om deze tip ook te geven als er voorschotbetalingen worden verricht.

Reageer op dit artikel