nieuws

Beroep asbestslachtoffer op artikel 3:310 lid 4 BW slaagt niet

Branche

Algemeen

Beroep asbestslachtoffer op artikel 3:310 lid 4 BW slaagt niet

Artikel 3:310 lid 4 heeft betrekking op de verjaring van rechtsvorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van strafbare feiten. Tot 1 april 2013 zag het artikel enkel op zedendelicten tegen minderjarigen. Vanaf die datum is de inwerkingtreding echter uitgebreid tot alle strafbare feiten. Sinds 1 april 2013 luidt het artikel als volgt:

“4. Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet toepasselijk is, verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen.”

Sinds enige tijd zien we nu dat belangenbehartigers van asbestslachtoffers het artikel aangrijpen in een poging om verjaringsverweren die worden gevoerd door de gedaagde partij ter zijde te stellen. In een interessante uitspraak van 23 juli 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland nu – voor het eerst – een oordeel geveld over deze mogelijkheid. De rechtbank wijdt ten overvloede een aantal overwegingen aan het beroep op artikel 3:310 lid 4 BW.

Feiten & omstandigheden

Een werknemer heeft omstreeks eind jaren zestig ruim een jaar lang als (aankomend) timmerman gewerkt aan de bouw van de zogenoemde flat in de Wijk Vollenhoeve te Zeist. In september 2011 heeft een longarts de ziekte mesothelioom in de vorm van longvlieskanker bij de werknemer vastgesteld. Op 7 december 2012 is de werknemer hieraan overleden. Eiseres, weduwe en erfgename van de werknemer, stelt dat de werknemer tijdens voornoemde werkzaamheden is blootgesteld aan asbest en vordert een verklaring voor recht dat de werkgever destijds verwijtbaar is tekort geschoten ex artikel 7:658 BW en daardoor jegens haar schadeplichtig is. De werkgever voert verweer en stelt dat de vordering op grond van artikel 3:310 BW is verjaard.

Oordeel rechtbank

De rechtbank gaat allereerst in op de aansprakelijkheidsvraag en komt tot de conclusie dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is van een zorgplichtschending. De vordering van eiseres ligt daarmee reeds voor afwijzing gereed. Echter ook als de aansprakelijkheidsvraag anders had moeten worden beantwoord, had de vordering niet kunnen slagen omdat deze is verjaard.

Eiseres beroept zich primair op artikel 3:310 lid 4 en stelt in dit kader dat de werkgever verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht heeft overtreden en dat de verjaring van die feiten nog niet is ingetreden. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis komt de rechtbank tot het oordeel dat artikel 3:310 lid 4 BW niet van toepassing is. Een verjaring die reeds is verstreken, herleeft gelet op het overgangsrecht niet door de inwerkingtreding van artikel 3:310 lid 4 (nieuw) BW. Verder wijst de rechtbank op de manifestatieleer uit het strafrecht. De verjaringstermijn in het strafrecht vangt in beginsel aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Het eindoordeel van de rechtbank luidt dan ook als volgt:

“De conclusie is dat de strafrechtelijke verjaring, in de loop van 1970 aangevangen, in (1982 of) 1990 is verstreken. Nu moet worden vastgesteld dat het recht tot strafvordering reeds was vervallen voordat de 30-jarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW verstreek, vindt het nieuwe vierde lid van artikel 3:310 BW in dit geval geen toepassing. Dat beroep faalt eveneens, omdat in dit geding niet kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] jegens [A] (een van) de door [eiseres] genoemde doleuze strafbare feiten heeft begaan. Daarvoor is immers (voorwaardelijk) opzet vereist, terwijl op grond van hetgeen hierboven bij de beoordeling van de aansprakelijkheid is vastgesteld [gedaagde] in 1969/1970 ter bescherming van [A] tegen de gevaren van asbest nog geen nadere maatregelen hoefde te nemen. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat zij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de gezondheid van [A] kon worden geschaad.”

Subsidiair stelt eiseres dat het beroep op verjaring van de werkgever verworpen dient te worden, omdat toepassing van de 30-jarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook een beroep op de redelijkheid & billijkheid baat eiseres niet. De rechtbank loopt in dit kader de gezichtspunten uit het arrest Van Hese/De Schelde volledigheidshalve af. Bijzondere betekenis wordt toegekend aan de gezichtspunten c en g. De andere gezichtspunten leggen volgens de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal om deze alsnog in het voordeel van eiseres te laten doorslaan.

De vordering van eiseres wordt dan ook afgewezen.

Reageer op dit artikel