nieuws

Dochtermaatschappij geen verzekeringnemer na wijziging van activiteiten

Branche

De Hoge Raad heeft op 27 juni 2014 een arrest gewezen, waarin een dekkingsweigering ten gevolge van een wijziging van activiteiten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar wordt geacht.

Dochtermaatschappij geen verzekeringnemer na wijziging van activiteiten

Het gaat in deze zaak om een groothandel in poot- en consumptieaardappelen die via een Holding en twee dochtermaatschappijen wordt gedreven. In 2005 wordt de onderneming beëindigd. Na de beëindiging gaat een van de dochtermaatschappijen in opdracht van de andere dochtermaatschappij een aantal loodsen aan derden verhuren als opslagruimten voor particulieren en boten. In de periode van 2001 tot 2006 zijn de activiteiten van alle betrokken vennootschappen verzekerd onder een aansprakelijkheidsverzekering bij Aegon. Met ingang van 1 januari 2006 wordt de met Aegon gesloten aansprakelijkheidsverzekering gewijzigd. In de gewijzigde polis wordt de Holding als verzekeringnemer gemeld en als verzekerd risico de aansprakelijkheid van de verzekeringnemer in de hoedanigheid van “eigenaar/exploitant van een uitzendbureau, tevens verhuur van onroerend goed”. Op 17 november 2007 is in twee loodsen brand uitgebroken. In deze loodsen bevinden zich zaken van huurders van deze loodsen. Deze huurders stellen vervolgens de dochtermaatschappij die de loodsen heeft verhuurd aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van de brand hebben geleden. Aegon weigert vervolgens dekking onder de polis te verlenen.

Volgens het hof zijn er geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat Aegon bekend was of kon zijn met de bedoeling om per 1 januari 2006 onder dezelfde polis ook de onderhavige opslagactiviteiten van de dochtermaatschappijen te doen verzekeren. Evenmin is gebleken dat Aegon zich zodanig heeft gedragen dat daaruit mocht worden begrepen dat volgens Aegon ook de dochtermaatschappijen als verzekeringnemer hadden te gelden. Uit het feit dat Aegon in 2009 zonder premieverhoging alsnog de dochtermaatschappijen op de polis heeft bijgeschreven volgt niet zonder meer dat Aegon daarmee ook per 1 januari 2006 de opslagactiviteiten van de dochtermaatschappijen zou hebben verzekerd. Aegon mocht bovendien afgaan op de informatie die aan haar is verstrekt en er was volgens het hof geen aanleiding voor Aegon om nadere informatie in te winnen. Het hof oordeelt dat de weigering van dekking door Aegon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Aan de gestelde omstandigheid dat jarenlang premie is betaald voor een risico dat niet heeft bestaan komt in dit verband geen betekenis toe, aangezien dit niet aan Aegon is te wijten of voor haar rekening dient te komen.

In cassatie wordt het arrest van het hof bekrachtigd. De Hoge Raad acht doorslaggevend dat er sprake is van een wijziging van activiteiten. Er zijn geen omstandigheden gesteld die erop wijzen dat Aegon bij de opgave van wijziging met ingang van 1 januari 2006 heeft moeten begrijpen dat beoogd werd om ook de onderhavige opslagactiviteiten mee te verzekeren. Indien Aegon premie heeft geïnd voor een risico dat achteraf niet heeft bestaan, kan dat volgens de Hoge Raad meebrengen dat zij gehouden is tot premierestitutie (art. 7:938 BW). De enkele inning van premie noopt evenwel niet de conclusie dat Aegon op grond van art. 6:248 lid 2 BW dekking moet verlenen voor schade als gevolg van de onderhavige opslagactiviteiten.

Het is niet zo, zoals de uitkomst van dit arrest wellicht doet vermoeden, dat degene die in de polis als verzekerde staat vermeld altijd de enige verzekerde is. De vraag wat de gedekte belangen zijn in de zin van artikel 7:946 BW is een kwestie van uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen. De polis is daarbij belangrijk, maar niet zonder meer beslissend. Een beroep op art. 6:248 lid 2 BW kan afhankelijk van de omstandigheden van het geval tot een andere uitkomst leiden.

Reageer op dit artikel