nieuws

Brandverzekering: Waardering bewijs brandstichting

Branche

In dit artikel zal de zaak die ten grondslag heeft gelegen aan het arrest van de Hoge Raad van 7 februari 2014, (ECLI:NL:HR:2014:268) besproken worden.

Brandverzekering: Waardering bewijs brandstichting

In de woning annex café van verzekeringnemer is in 2003 brand uitgebroken. De verzekeringnemer vordert uitkering onder de bij Interpolis afgesloten verzekering. Daarop wordt door de verzekeraar dekking ontzegd wegens opzettelijke brandstichting, althans merkelijke schuld van de verzekeringnemer. De brandexpert had namelijk gerapporteerd dat de brand met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is ontstaan door een brandversneller. Er was ook geen verklaarbare technische oorzaak voor de brand anders dan brandstichting. Daarnaast was de brand ontstaan kort na vertrek van verzekeringnemer uit het café. De toegangsdeur van het pand was nog steeds op slot toen de brandweer arriveerde en er waren geen sporen van braak. Verder had de verzekeringnemer tegen over de politie aangegeven dat het hem financieel niet goed ging en waren pogingen om het café te verkopen niet geslaagd. Ook waren in een stationskluis door de spoorwegpolitie goederen aangetroffen, waarvan de verzekeringnemer had aangegeven dat deze door de brand verloren waren gegaan.

Volgens de rechtbank zijn er inderdaad veel omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van de verzekeringnemer bij de brand, maar de verzekeraar wordt opgedragen om te bewijzen dat de verzekeringnemer de brand daadwerkelijk had gesticht. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de verzekeraar niet in dat bewijs is geslaagd. In hoger beroep overweegt het Hof dat sprake is van opzettelijke brandstichting, maar dat ook anderen dan verzekeringnemer een sleutel hadden van het pand en dus ook bij de brand betrokken kunnen zijn geweest. De verzekeraar dient daarom te bewijzen dat geen van de andere sleutelhouders de brand heeft gesticht. Tegelijkertijd wordt de verzekeringnemer opgedragen te bewijzen dat hij ten tijde van de brand geen financiële problemen meer had. In het kader van deze bewijsopdrachten zijn veel getuigen gehoord. Na de getuigenverhoren oordeelt het Hof dat sprake is van merkelijke schuld van de verzekeringnemer. Het Hof stelt op grond van de afgelegde getuigenverklaringen vast dat de sleutels van de andere personen niet voor de brandstichting zijn gebruikt, terwijl deze personen hebben verklaard de brand niet te hebben gesticht.  Daarmee kan volgens het Hof in voldoende mate worden uitgesloten dat anderen dan de verzekeringnemer bij de brand betrokken zijn geweest. Tevens acht het Hof op basis van de getuigenverklaringen de verzekeringnemer niet erin geslaagd om te ontzenuwen dat hij financiële problemen had.

De verzekeringnemer is het niet eens met de waardering van het getuigenbewijs door het Hof en gaat in cassatie. AG Spier overweegt dat het Hof zich na het horen van tientallen getuigen (negenentwintig) een oordeel heeft kunnen vormen over de afgelegde verklaringen en tot de conclusie kon komen dat verzekeringnemer de brand heeft gesticht. De Hoge Raad volgt de AG en verwerpt het cassatieberoep op grond van 81 lid 1 RO. De Hoge Raad laat zich derhalve niet inhoudelijk over de zaak uit. Dat is terecht aangezien het oordeel van het Hof geheel feitelijk is en zich derhalve niet leent voor toetsing in cassatie. Bovendien betekent de verwijzing naar art. 81 RO dat de Hoge Raad meent dat de cassatieklachten geen kwesties raken die van belang (zouden kunnen) zijn voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling; De Hoge Raad geeft daarmee aan de waardering van het getuigenbewijs in het algemeen aan het Hof is en in deze zaak in het bijzonder.

Reageer op dit artikel