nieuws

Discussie over onderzoek naar fondskosten pensioenpolissen

Archief

Concurrentie zet vraagtekens bij opdrachtgever Zwitserleven

 

De fondskosten van collectieve pensioenverzekeringen variëren sterk; percentages van meer dan 1% zijn vaak niet te verklaren, concludeert actuarieel bureau Lane, Clark & Peacock in opdracht van Zwitserleven. Aegon en NN zetten vraagtekens bij die conclusie.

 

Het onderzoek betreft de total expense ratio (TER) van beleggingsfondsen; die variëren van 0,03% tot 5,67% van het belegde vermogen. Het bureau onderzocht voor Zwitserleven 242 beleggingsfondsen bij de acht grote pensioenverzekeraars: Aegon, ASR, Centraal Beheer Achmea, Delta Lloyd, Interpolis, Nationale-Nederlanden, Reaal en Zwitserleven. De gemiddelde TER voor deze fondsen bedraagt 0,85%. Zwitserleven heeft met 0,04% het laagste gemiddelde, terwijl NN gemiddeld 1,34% rekent. Aegon en ASR hebben de fondsen met de hoogste TER-ratio’s, oplopend tot 5,67%.

 

Lane, Clark & Peacock kan geen verklaring vinden voor de grote verschillen. "Zo’n honderd fondsen hanteren een TER van 1% of meer. Waarom deze fondsen beduidend meer kosten in rekening brengen dan anderen, is niet duidelijk. Het gaat over het algemeen om gewone beleggingsfondsen die zich niet specifiek onderscheiden van andere fondsen." Volgens het bureau kan een 0,5% hogere TER leiden tot 9% hogere kosten bij een gegarandeerde pensioenregeling; bij beschikbarepremieregelingen is het effect een 3% tot 9% lager pensioen.

 

Een mixfonds kent een zogeheten synthetische TER, die is samengesteld uit de kostenpercentages van andere beleggingsfondsen waarin wordt belegd. Volgens het bureau worden die synthetische kostenratio’s echter niet altijd vermeld, "waardoor een te rooskkleurig beeld wordt gegeven van het niveau van de kosten".

 

Gekleurd

Nationale-Nederlanden kijkt kritisch naar de bevindingen van het bureau. "Het onderzoek is enigszins gekleurd omdat Zwitserleven hiertoe opdracht heeft gegeven. Het richt zich maar op één aspect van deze productcategorie." Het vergelijken van unit-linkedfondsen met bancaire fondsen zorgt volgens NN voor een vertekend beeld. "Daarnaast zijn de bancaire fondsen van ING in het onderzoek opgenomen en bijvoorbeeld niet onze huisfondsen."

 

Verder blijven de fondsadministratiekosten en de verschillen in investeringspremie buiten beschouwing, zegt NN. "Er wordt uitleg gegeven over de synthetische TER, maar het onderzoek noemt niemand die dit zou toepassen. Wij gebruiken deze methode in ieder geval niet."

 

Een volgend kritiekpunt is dat geen rekening is gehouden met pensioenproducten die een zogeheten lifecycle-model hanteren, waarbij het risico gedurende de looptijd wordt afgebouwd. "Bovendien kloppen de kosten die genoemd worden van NN niet."

 

Aegon zegt over het onderzoek "een indringend gesprek" aan te gaan met Lane, Clark & Peacock. "Wij vinden dat de resultaten niet in de juiste context zijn geplaatst." Wat er precies aan schort, wil de maatschappij nog niet zeggen.

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.