nieuws

De verzekeringsrechtelijke nasleep van de moord op Van Gogh

Archief

De moord op Theo van Gogh, inmiddels vijf jaar geleden, heeft in de media veel aandacht gekregen. Wat echter niet in de media naar voren komt en wat dus maar weinigen weten, is dat deze moord ook de nodige verzekeringsrechtelijke complicaties met zich heeft gebracht.

 

Het productiebedrijf van Van Gogh, Column Producties BV,, had namelijk een zogenaamde ‘keyman-verzekering’ afgesloten. Dat is een verzekering die dekking biedt bij het wegvallen van een sleutelfiguur van de onderneming, onder meer door overlijden. Van Gogh was in zijn eigen productiebedrijf uiteraard zo’n keyman.

 

In de strafzaak werd bewezen verklaard dat Mohammed Bouyeri de moord had gepleegd met een terroristisch oogmerk. Om die reden weigerde de verzekeraar op de keyman-polis uit te keren met een beroep op de in de polisvoorwaarden opgenomen dekkingsuitsluiting in geval van terrorisme.

 

Column stelde hierop de assurantietussenpersoon die haar had geadviseerd bij het sluiten van de keyman-verzekering aansprakelijk voor de schade als gevolg van de geweigerde verzekeringsuitkering van _ 1 mln. Volgens Column was de tussenpersoon tekortgeschoten bij zijn advisering, omdat hij – gelet op de persoon van Van Gogh en de vele bedreigingen aan zijn adres – had moeten begrijpen dat Column een keyman-verzekering nodig had inclusief terrorismedekking. In de daaropvolgende procedure voerde de tussenpersoon geen verweer en werd hij veroordeeld tot betaling van _ 1 mln. De tussenpersoon legde zich bij dit vonnis neer, waardoor het onherroepelijk werd.

 

Vervalbeding

De tussenpersoon had zelf een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten. Met het veroordelend vonnis tegen de tussenpersoon op zak liet Column beslag leggen onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de tussenpersoon; het beslag werd gelegd op de vordering die de tussenpersoon voor dit schadevoorval op zijn aansprakelijkheidsverzekeraar had.

 

Volgens de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar was echter het recht van de tussenpersoon op uitkering vervallen, omdat hij zijn meldingsplicht bij de verwezenlijking van het risico niet was nagekomen. Een in de polisvoorwaarden opgenomen vervalbeding bepaalde dat de verzekerde zijn rechten uit de polis zou verliezen, indien hij zou nalaten een gebeurtenis, aanspraak of omstandigheid, die voor de verzekeraar tot een verplichting tot uitkering zou kunnen leiden, zo spoedig mogelijk te melden. En dat laatste had de tussenpersoon nu juist niet gedaan. Sterker nog, de tussenpersoon was in de procedure die Column tegen hem had aangespannen, niet eens verschenen.

 

Column was het niet eens met het standpunt van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en startte een procedure tegen deze verzekeraar tot betaling van die _ 1 mln.

 

Rechtbank en hof

De rechters oordeelden dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar zich terecht had beroepen op het vervalbeding en wezen de vordering van Column af. Zij oordeelden dat de tussenpersoon had gehandeld in strijd met zijn verplichtingen onder de polis, omdat hij de mogelijke schade niet had gemeld aan de verzekeraar. Pas door de beslaglegging kreeg de verzekeraar kennis van de vordering van Column op de tussenpersoon. Bovendien had de tussenpersoon door geen verweer te voeren in de procedure en door geen verzet aan te tekenen tegen het vonnis, zich gedragen op een manier waardoor de belangen van de verzekeraar zouden kunnen zijn geschaad. Daarnaast was voldaan aan het vereiste dat de verzekeraar door het nalaten van zijn verzekerde in een redelijk belang was geschaad. Hierdoor was de verzekeraar geconfronteerd met een aansprakelijkheid van zijn verzekerde, waarvan het nog maar de vraag was of deze bij een behoorlijk gevoerd verweer ook door de rechter zou zijn vastgesteld.

 

Commentaar

Verzekeraars nemen in hun polisvoorwaarden veelvuldig een vervalbeding op, dat bepaalt dat een verzekeringnemer zijn recht op uitkering verliest bij een te late schademelding of bij een tekortschieten in zijn informatieplicht. Zo’n verval van recht is alleen toegestaan, wanneer de verzekeraar door de schending van de meldings- of informatieplicht in een redelijk belang is geschaad. Tegenwoordig is dat ook in de wet vastgelegd (art. 941 Boek 7 BW). In de hier besproken zaak had de tussenpersoon een melding omtrent mogelijke schade kunnen doen op het moment dat dekking onder de keyman-verzekering werd afgewezen en moeten doen op het moment dat hij aansprakelijk werd gesteld en vervolgens werd gedagvaard door Column. Naast deze melding had de tussenpersoon de verzekeraar moeten informeren over de wijze van totstandkoming van de keyman-verzekering en de inhoud van zijn advisering.

 

Bij tijdige melding zou de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar in principe de kosten van verweer in de procedure hebben vergoed. Ook zou de verzekeraar – op naam van de verzekerde – de behandeling van de procedure naar zich toe hebben getrokken of in elk geval hebben toegezien op een juiste procesvoering door de advocaat van de verzekerde.

 

Column had aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar tegengeworpen dat op het moment dat zij beslag onder hem legde en hij voor het eerst kennis kreeg van haar aanspraken, de verzettermijn tegen het vonnis nog niet was verstreken. Daaruit zou volgens Column blijken dat de verzekeraar niet in zijn belangen was geschaad door het achterwege blijven van de melding. Het hof verwierp dit standpunt, omdat alleen de tussenpersoon en niet (tevens) de verzekeraar – die geen procespartij was in de procedure tussen Column en de tussenpersoon – verzet kon aantekenen tegen het verstekvonnis; de verzekeraar kon er slechts bij de tussenpersoon op aandringen om alsnog in een verzetprocedure verweer te voeren, maar deze sloeg de dringende adviezen van de verzekeraar in de wind. Naar het waarom valt alleen maar te gissen.

 

Kort na de beslaglegging had de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar aan de tussenpersoon bericht dat hij dekking weigerde. In de procedure tegen de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar stelde Column dat de tussenpersoon na deze dekkingsweigering geen rekening meer hoefde te houden met de redelijke belangen van de verzekeraar en zich dus zonder overleg met de verzekeraar mocht neerleggen bij het verstekvonnis. Het hof was het daar terecht niet mee eens: de algemene verplichtingen onder de polis, zoals het in overleg met de verzekeraar voeren van verweer tegen een aansprakelijkstelling, komen niet te vervallen op het moment dat de verzekeraar dekking weigert.

 

Het kan soms raar lopen; door volledig stil te zitten heeft de tussenpersoon niet alleen zichzelf, maar ook de schadelijdende partij benadeeld. De moraal van het verhaal: tussenpersonen doen er goed aan altijd een mogelijke schade zo spoedig mogelijk te melden bij hun beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Dit is in het belang van alle betrokken partijen.

 

M. Keijzer-de Korver, juridisch medewerker bij Stadermann Luiten Advocaten

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.