nieuws

Zwevende parketvloer verdeelt opstal- en inboedelverzekeraar

Archief

De ‘inboedel’ bestaat uit roerende goederen, bij ‘opstal’ gaat het om muren, vloeren alsmede aard- en nagelvaste zaken. Maar wat moeten we met waterschade aan een ‘zwevende’ parketvloer? Die vraag werd onlangs voorgelegd aan de Commissie Samenloop van het Verbond van Verzekeraars, omdat een inboedel- en een opstalverzekeraar het niet eens waren over de vraag wie deze schade dient te dragen.

Het ging in de onderhavige zaak om een ‘zwevende’ laminaat parketvloer. Deze vloer is los gelegd op een ondervloer en is samengesteld uit delen die onderling zijn verlijmd.
De opstalverzekeraar heeft de claim geregeld en de schade uitgekeerd, maar vindt dat de inboedelverzekeraar zou moeten betalen. Laatstgenoemde wijst dat beroep af: “Alleen wanneer de parketvloer los gelegd is, dus zonder bevestiging aan het pand of onderlinge verbinding door middel van lijm of spijkers, is er sprake van inboedel”. In zijn eis bij de Commissie Samenloop stelt de opstalverzekeraar: de parketvloer is niet aard-nagelvast aan het gebouw bevestigd. Daarom moet het tot de roerende zaken gerekend worden. Het criterium ‘verlijmen van een parketvloer’ is niet gedefinieerd en is in de praktijk niet werkbaar daar zowel het verlijmen van alle delen, alleen de uiteinden en alleen aan de plinten voorkomt. Verder voelt deze verzekeraar zich gesterkt door de uit 1980 stammende uitspraak nr. 7 van de Commissie Samenloop. Volgens de inboedelverzekeraar gaat deze vlieger niet op, omdat het daarbij ging om een in alle opzichten los gelegde vloer.
Bedoeld om te blijven
De inboedelverzekeraar: “Uit het onderzoek van de door de opstalverzekeraar ingeschakelde expert is gebleken dat op de tegelvloer een vochtscherm is aangebracht en dat daarop de parketvloer is gelegd. De parketvloer is samengesteld uit elementen die onderling verbonden zijn door lijm. Door het verlijmen van de vloerelementen is het onmogelijk geworden de parketvloer onbeschadigd te demonteren en uit de woning te verwijderen. Naar onze mening kan hieruit in beginsel worden afgeleid dat de parketvloer bedoeld was duurzaam in de woning te blijven. In de zin van art. 3:3 BW voldoet de parketvloer aan de omschrijving van het juridische begrip onroerend”. Zou beoogd zijn geweest de parketvloer op enig moment te demonteren en te verplaatsen naar een andere ruimte, dan zou ongetwijfeld gekozen zijn voor een parketvloer waarvan de elementen niet verlijmd behoefden te worden, betoogt de inboedelverzekeraar. In herinnering wordt geroepen een in april 1996 door het Verbond van Verzekeraars aan brandverzekeraars verzonden circulaire. De boodschap daarin was: voor parketvloeren dient gekeken te worden naar de wijze van bevestiging van de vloerdelen aan de ondergrond dan wel van de vloerdelen onderling: vast/verlijmd/gespijkerd: opstal; los gelegd: inboedel.
Overwegingen
De Commissie Samenloop vroeg zich om te beginnen af: moet een parketvloer waarvan de delen uitsluitend onderling door lijm zijn verbonden, maar waarvoor tevens geldt dat verwijdering niet kan plaatsvinden zonder aanmerkelijke beschadiging van de ondergrond en/of parketvloer, worden gezien als een bestanddeel van het gebouw in de zin van artikel 3:4 BW?
“Volgens bestaande jurisprudentie zijn belangrijke aanwijzingen, die leiden tot de conclusie dat een zaak ‘bestanddeel’ is die volgens verkeersopvatting onderdeel van een hoofdzaak uitmaakt, gelegen in het feit dat bijvoorbeeld gebouw en zaak specifiek op elkaar zijn afgestemd.” In het licht van het vorenstaande moet worden geconcludeerd, dat onderling verlijmde zwevende parketvloeren als bestanddeel in de zin van art. 3:4 lid 1 BW moeten worden gezien. “Parketvloeren zullen immers steeds precies op maat zijn gezaagd voor de ruimte waarin zij zijn neergelegd. Het feit dat zij geen directe fysieke verbinding hebben met de ondervloer is daarvoor niet relevant. In constructief opzicht zijn gebouw en werkvloer specifiek op elkaar afgestemd.” Het tweede criterium, genoemd in art 3:4 lid 2 BW, luidt: “een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak”. Dit criterium versterkt het oordeel dat een verlijmde zwevende parketvloer moet worden beschouwd als een bestanddeel in de zin van dit artikel. “Immers door het in stukken zagen en beschadigen van de parketvloer treedt een aanmerkelijk waardeverlies van die vloer op.” De Commissie heeft informatie over de gang van zaken in de praktijk ingewonnen en heeft daarbij vernomen dat het verwijderen en verhuizen van dergelijke parketvloeren in de praktijk dan ook weinig voorkomt. Op grond van het feit dat de parketvloer moet worden beschouwd als bestanddeel van het gebouw, stelt de commissie vast dat de parketvloer als onroerende zaak en derhalve als opstal moet worden bestempeld. Het bindend advies luidt dat de opstalverzekeraar de schade moet vergoeden. Uitspraak nr. 98 Commissie Samenloop inzake ‘verlijmde zwevende parketvloer’.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.