nieuws

Zorgen om doorlopende provisie houden aan na brief Van Eijck

Archief

Vorige maand ontstond commotie in de verzekeringsbranche nadat AssurantieMagazine meldde dat de Belastingdienst doorlopende provisie voor financiële producten fiscaal zou gaan behandelen als afsluitprovisie. Een brief van de staatssecretaris van Financiën Steven van Eijck heeft de brancheorganisaties NVA en NBVA gerust gesteld. Volgens deskundigen van Ernst & Young wordt er echter te vroeg gejuicht.

Door Windeld van den Brink en Silvain Niekel
Met zijn brief probeert de staatssecretaris, zoals dat heet, de druk van de ketel te halen. Hij sluit voor de belastingheffing terecht aan bij de arbeid die voor het verdienen van de provisies moet worden verricht. Met andere woorden: de in de toekomst te ontvangen provisies kunnen niet in één keer worden belast, indien de tussenpersoon er in de toekomst nog voor moet werken. Voorts erkent de staatssecretaris expliciet dat er een ontwikkeling gaande is waarbij tussenpersonen steeds meer doorlopende diensten moeten verrichten aan verzekerden.
Maar na deze geruststellende woorden, legt de staatssecretaris uiteindelijk wel de bal bij de tussenpersoon. Die zal moeten aantonen dat zijn dienstverlening is gerelateerd aan de provisie die in datzelfde jaar wordt ontvangen. Zij het dat hierbij geen sprake hoeft te zijn van evenredigheid tussen de hoogte van de ontvangen provisie en de omvang van de geleverde diensten.
Sterke relatie
Van belang is, volgens de staatssecretaris, dat de relatie tussen de dienstverlening in de jaren na het afsluiten van de verzekering en de in die jaren te ontvangen provisie, voldoende sterk is. Hoe sterk ‘voldoende sterk’ is, laat de staatssecretaris over aan de praktijk. Daarin zal de Belastingdienst aan de hand van de feiten van geval tot geval gaan beoordelen in welk jaar de doorlopende provisie dient te worden belast.
Bovendien gaat de staatssecretaris niet in op de vraag hoe moet worden omgegaan met situaties waarbij de daadwerkelijke ontvangst van de doorlopende provisie onzeker is, omdat ze bijvoorbeeld afhankelijk is van een opschortende voorwaarde. Wij hebben eerder als onze mening te kennen gegeven dat in dergelijke gevallen pas winst hoeft te worden genomen in het jaar van ontvangst.
Onze conclusie is dat de brief van de staatssecretaris weliswaar voorlopig rust creëert aan het front, maar dat hij de Belastingdienst genoeg ruimte laat om in individuele gevallen een ander standpunt in te nemen. Daarom dient de bedrijfstak erop bedacht te zijn, dat het tijdstip van winstneming bij assurantietussenpersonen de komende jaren een aandachtspunt zal zijn voor de Belastingdienst. Het is dus zaak de bewijslast – waaronder de contracten met de verzekeraars – goed op orde te hebben.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.