nieuws

Zelfs geen licht wettelijk toezicht op kleine uitvaartverenigingen

Archief

Hoewel bij het ter perse gaan van deze editie van AM de (uitgestelde) stemmingen nog moesten worden gehouden, had een duidelijke Kamermeerderheid zich al uitgesproken voor het buiten de wet houden van reeds bestaande uitvaartverenigingen resp. onderlinge waarborgmaatschappijen die minder dan 3.000 volwassen verzekerden tellen.

Genoemde Kamermeerderheid ontstond doordat een amendement van CDA en PvdA al vóór de plenaire behandeling van de voorgestelde Wet Toezicht Natura-Uitvaartverzekeringsbedrijf (WTN) werd ondersteund door D66 en de ouderenpartij AOV.
Het amendement bevat een concrete bepaling om misbruik tegen te gaan. Voorwaarde voor het buiten de werking van de wet kunnen blijven van bedoelde kleinere uitvaartverenigingen en onderlinge waarborgmaatschappijen is, dat ze vóór 1 januari 1995 en naar Nederlands recht zijn opgericht. Hiermee wordt voorkomen, dat nieuwe verzekeraars worden opgericht, uitsluitend om zich te onttrekken aan het toezicht van de wet. Het betekent evenzeer een hoge drempel voor toekomstige nobele initiatieven, want àlle nieuwe uitvaartverzekeraars, ongeacht de rechtsvorm, zullen dan onder het volledige toezicht komen te vallen. Overigens kent het amendement ook een voorziening ‘de andere kant op’: er kunnen uitvaartverenigingen zijn die aan de vereisten voor uitzondering voldoen, maar er toch prijs op stellen onder het toezichtsregime te vallen. Deze verzekeraars kunnen, door tijdig een vergunning bij de Verzekeringskamer aan te vragen, op vrijwillige basis onder de werking van de wet komen.
Kamerdebat
Het debat op 26 januari in de Tweede Kamer stond vrijwel geheel in het teken van de positie van de (plaatselijke) uitvaartverenigingen. Vrijwel alle sprekers refereerden aan gesprekken met het Landelijk Samenwerkingsverband van Uitvaartverenigingen zonder Winstoogmerk (LSUW).
D66 was er zelfs toe overgegaan om de Consumentenbond bij haar gesprek met de LSUW te betrekken. En ook de Consumentenbond was volgens D66-spreekster Schimmel ‘omgegaan’ voor de argumenten van het LSUW dat zelfs ook het voorgenomen verlichte wettelijke toezicht een te zware belasting zou vormen voor de veelal op vrijwilligers draaiende uitvaartverenigingen. VVD-er Van Rey had eigenlijk nog de meeste bedenkingen. “Heel sympathiek dat amendement, maar we hebben als parlement onze eigen verantwoordelijkheid. Ik denk, dat de eerste les uit Vie d’Or is, dat – wat er ook gebeurt – de verzekerden altijd naar het parlement komen”.
Minister Zalm (financiën) verdedigde de voorgenomen invoering van een verlicht toezichtregime voor de kleinere uitvaartverenigingen. Hij wees er op, dat ook in die categorie van probleemgevallen sprake is (geweest). Toch was het verzet van de bewindsman tegen het bovengenoemde amendement van bescheiden aard. “Als een Kamermeerderheid anders wil, dan heb ik daar geen problemen mee”, zei Zalm, mede onder verwijzing naar het ‘om’ zijn van de Consumentenbond.
Motie RPF
En toen kwam er de motie van de RPF. Bij de mondelinge behandeling liepen RPF-fractievoorzitter Van Dijke en minister Zalm vast in de interpretatie van de strekking van de motie. Daarop werd besloten, dat de minister uiterlijk op de dag vóór de stemming zou reageren op deze motie, die steun ontmoette bij CDA en D66.
Volgens deze motie zouden àlle commerciële natura-uitvaartverzekeraars onder het strenge toezicht moeten vallen en alle niet-commercieel werkende erbuiten kunnen blijven. Zalm stelde in zijn reactie: “Het begrip ‘commercieel’ laat zich niet goed wettelijk definiëren”. Om de toetsing over te laten aan de Verzekeringskamer, vond hij niet wenselijk. “Als het voor de wetgever onmogelijk is een duidelijk onderscheid aan te brengen, zal dit evenzeer gelden voor de Verzekeringskamer. Het zou dan ook niet juist zijn een voor de wetgever niet oplosbaar probleem in de schoenen te schuiven van de Verzekeringskamer.”
Uitstel stemmingen
Vanwege blijvend verschil in interpretatie van de motie Van Dijke, ook tussen de ondertekenaars onderling, werd op 31 januari besloten de stemmingen een week uit te stellen. Onderling overleg tussen de woordvoerders van RPF, CDA en D66 leidde tot een wijziging in de motie.
De doelstelling van de motie is een betere, permanente regeling voor het buiten de werking van de wet houden van “uitvaartverenigingen die opgekomen zijn uit en functioneren door onderlinge solidariteit, met als belangrijkste doel het verlenen van onderlinge hulp bij de uitvaart” en die derhalve “in feite niet op één lijn kunnen worden gesteld met, c.q. zijn te beschouwen als een bedrijf dat overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering sluit”. De ondertekenaars willen nu, dat minister Zalm de Verzekeringskamer opdracht geeft om in de loop van 1995 een notitie te ontwikkelen die criteria aangeeft “als gevolg waarvan vorenbedoelde uitvaartverenigingen buiten het bereik van deze wet vallen”.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.