nieuws

‘Ze zagen mij als een gemeentesecretaris’

Archief

Twintig jaar geleden was mr R.J.M. Grove secretaris van de Nederlandse Vereniging van Ongevallen- en Ziekteverzekeraars (NVOZ). Hij kreeg in die functie veel te maken met het toenmalige CDA-Kamerlid mevrouw J. van Leeuwen, die in 1974 politiek adviseur van de NVOZ werd. Drie jaar geleden werd de inmiddels zelfstandig ondernemer Ruud Grove door diezelfde Hannie van Leeuwen gepolst voor de functie van interim-directeur bij IZA Nederland, de via een fusie te vormen ziektekostenverzekeraar voor de 600.000 gemeente-ambtenaren. Later wilde IZA-voorzitter Van Leeuwen dat hij voor vast in dienst zou komen, hetgeen contractueel werd vastgelegd. Echter, in juni dit jaar was het over en uit: Grove werd door Van Leeuwen de deur gewezen.

door Richard Vroom
Aanvankelijk houdt Grove tijdens het gesprek de boot een beetje af: “Er bestaat in het bedrijfsleven een goede traditie om niet met vuil te gooien”. Toch gaat hij vervolgens vrij snel overstag, omdat hij er al geruime tijd van doordrongen is, dat de eventuele berichtgeving over zijn abrupte vertrek bij IZA Nederland zijn reputatie sowieso schade zal berokkenen. Hoewel de breuk met IZA dateert van 23 juni dit jaar en er op 30 augustus vonnis is uitgesproken in kort geding (waarbij IZA is veroordeeld tot voorlopige doorbetaling), kwam de affaire pas in de openbaarheid via AM nr 19 op 7 oktober jl.
Voor een goed begrip is het dienstig een schets te geven van wat IZA (Instituut Ziektekostenvoorziening Ambtenaren) is. Simpel gesteld, gaat het om een in de beginjaren vijftig gekozen oplossing voor de verzekering van gemeente-ambtenaren tegen ziektekosten. In beginsel werd in elke provincie een IZA opgericht. De ambtenaren betalen een aan het inkomen gekoppelde procentuele premie, waarvan de werkgever (= gemeente) de helft voor zijn rekening neemt. Grove: “De negen IZA’s (sommige provincies vormden een combinatie, te weten Groningen/Drenthe en Zuid-Holland/Zeeland) opereerden zeer zelfstandig. Er was een overkoepelende organisatie, het Gemeenschappelijk Advies Orgaan (GAO), waarvan de activiteiten beperkt waren tot overleg over polisvoorwaarden en premieniveau. In de uitvoering van de verzekering waren de regionale IZA’s autonoom”.
Plan-Simons
Er waren enkele jaren geleden twee redenen om de IZA’s met elkaar te laten fuseren tot één landelijke verzekeraar: ten eerste de voorgenomen stelselwijziging volgens het plan-Simons en de daarmee gepaard gaande noodzaak tot schaalvergroting; ten tweede het plan van de overheid om de ambtenaren onder de sociale werknemersverzekeringen te brengen.
In dat perspectief zou er geen plaats meer kunnen zijn voor een publiekrechtelijke regeling als de IZA. De IZA’s moesten dus worden voorbereid op een competitieperiode in een privaatrechtelijke situatie.
De fusie van de negen IZA’s had heel wat voeten in de aarde. Grove: “Neem alleen al het gegeven, dat de fusie moest worden goedgekeurd door alle 645 gemeenteraden in ons land.” Om goed toegerust te zijn voor de commerciële toekomst, werd de bezetting van het hoofdkantoor in Nieuwegein uitgebreid van 8 tot 30 personeelsleden, onder wie veel relatief dure krachten in staf- en managementfuncties. Grove: “Vlak nadat de fusie begin 1993 formeel in kannen en kruiken was, viel een belangrijke reden ervoor weg: het plan-Simons redde het niet. Dit leidde tot een wijziging van de stemming in het IZA-bestuur. De overheersende gedachte was: we hoeven niet meer zo hard te lopen, we kunnen wel langer publiekrechtelijk blijven”.
Vliegwiel op gang
Het is niet zo moeilijk om zich een voorstelling van de ontstane situatie te maken: enerzijds een hoofdkantoor dat zich vol dynamiek voorbereidt op de confrontatie met de commerciële (zorg)verzekeringsmarkt en anderzijds een bestuur dat zich niet meer opgejaagd weet door ‘Den Haag’.
Echter, het vliegwiel was al op gang gebracht. Grove: “We waren bezig met het ontwerpen van produkten die marktconform zouden zijn. Het personeel was al in training voor een ‘andere leefwereld’. IZA telde heel veel jonge en zeer leergierige medewerkers, die waren gestimuleerd assurantiecursussen te volgen. Kort gezegd: zo’n bedrijfsreorganisatie is niet te vergelijken met de handeling die nodig is om het licht aan of uit te doen.”
Bestuur verdeeld
Er heerste overigens ook een cultuurverschil bìnnen het bestuur tussen enerzijds de vertegenwoordigers van de gemeenten (VNG) en anderzijds de afgevaardigden van de ambtenarenbonden. Grove: “Bij de gemeentelijke vertegenwoordigers vroeg men zich af, of de IZA als zodanig per se zou moeten blijven voortbestaan. (‘de ambtenaren zouden toch ook zelf wel een ziektekostenverzekering kunnen sluiten’). Aan de andere kant hielden de werknemersvertegenwoordigers vast aan de arbeidsrechtelijke verworvenheid van het instituut IZA”.
Stonden binnen het bestuur de neuzen niet allemaal dezelfde kant op, tussen bestuur en directie deden zich eveneens spanningen voor. Ook de aard hiervan laat zich raden: aan de ene kant een directie die snel grote stappen voorwaarts wil zetten en aan de andere kant een bestuur dat vindt dat de managers te hard van stapel lopen. Grove: “Het bestuur had zich al eens geërgerd aan mijn standpunt, dat er een wat andere verhouding tussen bestuur en directie zou moeten komen. Ik vond, dat het bestuur de ontwikkelingen ouderwets (dat wil zeggen: achteraf en detailmatig) volgde en dat dit niet goed werkte. Het zou zich volgens mij meer moeten opstellen als een raad van commissarissen, zoals niet alleen in het bedrijfsleven maar ook bij steeds meer overheidsdiensten het geval is. Trouwens het zou ook een logische weg zijn naar de toekomst, waarin IZA een onderlinge waarborgmaatschappij of NV zou moeten worden.”
‘Alsof je op een slang trapte’
Echter, de suggestie van een ‘raad van commissarissen’ had Grove beter niet naar voren kunnen brengen. “Het was alsof je op een slang trapte. Zij ervoeren het als een voorgenomen aantasting van hun bevoegdheden. Er viel in het dagelijks bestuur niet over te praten. Ik heb vervolgens voorgesteld om, bedoeld als tussenfase, een tijdelijke raad van advies in te stellen, met daarin mensen uit de verzekeringswereld en de gezondheidszorg. Maar men wou er niet aan. Men vond dat ik een functie als die van een gemeentesecretaris had.”
Het breekpunt
Hoewel er zich in het reorganisatieproces, mede onder invloed van de cultuurverschillen en de politieke ontwikkelingen, allerlei spanningen voordeden, kwam het breekpunt tussen het bestuur en Grove voort uit de dagelijkse bedrijfsvoering.
“In april dit jaar wilde ik een regiodirecteur op het matje roepen om verantwoording af te leggen voor enkele genomen vrijheden op het terrein van de salariëring. Met name een lid van het algemeen bestuur afkomstig uit de betrokken regio vond het onverteerbaar, dat ik deze actie had ondernomen zonder eerst ruggespraak met het bestuur te houden.” Het bestuur deelde die mening en eiste genoegdoening van Grove, die op 6 mei zijn excuses voor de ondernomen actie aanbood. “Maar die excuses golden alléén de volgorde van handelen en zeker niet de essentie van het verzoek om opheldering.”
Destructief
Grove oogt rustig, maar dat is schijn: van binnen kookt hij. Dat IZA-medewerkers zich bezondigden aan “het bypassen van de directie” door rechtstreeks contact te zoeken met bestuursleden, vindt hij tot daaraan toe. “Dat bestuur stak daar echter geen stokje voor, maar liet het graag toe. Het bevestigde de bestuurspositie, zo vond men. Oog voor het organisatie-destructieve element van dit handelen had men niet.”
Achteraf lijken veel dingen in het leven nogal eenvoudig verklaarbaar, zo ook hier in de optiek van Grove: “Vanaf begin 1993 was ik er van overtuigd dat IZA slechts één groot probleem had en dat was zijn bestuur: politiek ingesteld, niet-professioneel, onderling verdeeld. Men vertrouwde en leunde zwaar op Hannie van Leeuwen en die zorgde er voor dat zij alleen aan de touwtjes bleef trekken. Dát is de essentie van het IZA-debacle.”
“Ik was van mening, dat het bestuur de ontwikkelingen ouderwets detailmatig volgde en dat dit niet goed werkte.” kader: Mr Ruud Grove (52) trad in 1971 als stafmedewerker in dienst bij de toenmalige Unie van Schadeverzekeraars, één van de voorlopers van het Verbond van Verzekeraars. In 1973 had hij een belangrijk aandeel in de voorbereiding van de gedenkwaardige Texel-conferentie, waarin het schadeverzekeringsbedrijf aan zelfonderzoek deed. Het was NN-topman Jaap van Rijn die hem vroeg om secretaris te worden van de NVOZ (Nederlandse Vereniging van Ongevallen- en Ziekteverzekeraars). Grove hoefde niet lang na te denken, want als artsenzoon was hij vanaf zijn jonge jaren betrokken bij het hem boeiende terrein van de gezondheidszorg. Voor de buitenwacht was het wellicht enigszins verrassend, dat hij in 1985 opstapte bij de NVOZ. Grove vertelt, dat hij al jaren eerder had aangegeven, dat hij wilde toegeven aan de sluimerende drang om ooit eens zelfstandig ondernemer te worden. Hij richtte MAIG op, voluit: Management-Adviesbureau Innovatie Gezondheidszorg. Grove vervulde in die hoedanigheid tal van opdrachten voor verzekeraars en ziekenfondsen en was zelfs gedurende enige tijd ziekenhuisdirecteur. Hij was bezig met een ‘Ziekteverzuim’-project bij Hoogovens toen IZA in beeld kwam. “Het was november 1991 in de Ridderzaal, waar het 50-jarig bestaan van het Ziekenfondsbesluit werd herdacht. Daar werd ik door Hannie van Leeuwen aangeschoten.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.