nieuws

Zalm stelt Tweede Kamer gerust over WFD-effect kleine kantoren

Archief

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet Financiële Dienstverlening (WFD) hebben diverse Tweede-Kamerleden aan minister Zalm gevraagd om de belangen van het kleinere intermediair niet uit het oog te verliezen. Met zijn schriftelijke beantwoording heeft de bewindsman de eventuele huiver bij de parlementariërs goeddeels kunnen wegnemen, zo bleek tijdens de zogeheten tweede termijn op donderdag 16 september.

Een spoedige inwerkingtreding van de WFD is zeer wenselijk vanwege knelpunten die zijn gesignaleerd in het gedrag van financiële dienstverleners, aldus Zalm. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met de ‘foute verkoop’ van producten als aandelenlease en beleggingshypotheken en met consumentenkredietaanbiedingen en teakfondsen waarvoor geen effectieve toezichtwetgeving bestaat.
“Uiteraard moet financiële dienstverleners een redelijke termijn worden geboden om de consequenties van de wet zorgvuldig te kunnen implementeren in de bedrijfsprocessen. Wat ‘redelijk’ is, kan per wettelijke verplichting verschillen. Ondernemers zal een redelijke termijn moeten worden gegund om de nodige investeringen te kunnen doen in bijvoorbeeld ICT-systemen. Een invoeringstermijn die aanzienlijk korter is dan de doorlooptijd van een regulier investeringsproject brengt hoge kosten met zich, omdat bijvoorbeeld externen moeten worden aangetrokken om het werk te verrichten in plaats van de eigen (goedkopere) medewerkers. Een korte implementatietermijn kan tot gevolg hebben dat de bedrijfsresultaten van met name de kleinere tussenpersoon gedurende deze termijn te veel onder druk komen te staan.”
Maar voordat Zalm al te veel begrip voor de branche aan de dag legt, haast hij zich bij wijze van herhaling te schrijven: “Daar staat tegenover dat voor de consumentenbescherming een spoedige inwerkingtreding van de WFD zeer wenselijk is”.
Toetreders
Of de door de brancheorganisaties genoemde investeringstermijnen en effecten op het rendement reëel en redelijk zijn, moet volgens de minister nog worden beoordeeld. “Een algemene inwerkingtredingtermijn van drie of vier jaar komt op het eerste gezicht erg ruim over. Ondernemingen die menen dat zij hun (potentiële) afnemers reeds een adequaat niveau van dienstverlening bieden, zullen immers geen grote investeringen behoeven te doen en zullen ook de bedrijfsprocessen slechts in beperkte mate moeten aanpassen. Het Platform Financiële Dienstverlening zal evenwel worden gevraagd om concrete knelpunten te inventariseren. Daarbij zal het platform worden gevraagd speciale aandacht te besteden aan kleine en middelgrote ondernemingen en de belemmeringen voor potentiële nieuwe toetreders.”
Diverse tijdstippen
Zalm wijst er op dat het in de structuur van de WFD mogelijk is om verschillende onderdelen van de wet op verschillende momenten in werking te laten treden. Het Besluit Financiële Dienstverlening zal bijvoorbeeld spelregels bevatten over de waarde van reeds verworven deskundigheid. De meest optimale inwerkingtredingtermijn en het meest geschikte overgangsregime zal na overleg met de toezichthouder en de sector worden bepaald. Of er met de branche hierover een akkoord kan worden bereikt, is op dit moment nog niet te voorzien”, aldus Zalm, die daarbij meteen onderstreept: “Zeker is dat de overheid hier uiteindelijk een besluit over zal moeten nemen”.
Hij geeft vervolgens aan dat er aan wordt gedacht om de bepalingen ten aanzien van de informatieverplichtingen én de gedragsregels die reeds bestaan, direct volledig in werking te laten treden. “Voor het toezicht op de verplichting om het adviestraject (voor de toezichthouder) reconstrueerbaar te maken, wordt daarentegen overwogen om het eerste jaar als een leerjaar te beschouwen. In dit jaar zal worden afgezien van nadere regulering en zal de toezichthouder slechts optreden wanneer deze aperte wetsovertredingen constateert.”
Marktstructuur
Er worden van de invoering van de WFD geen significante effecten op de marktstructuur verwacht. De diverse administratieve verplichtingen zullen tot hogere kosten leiden, maar de omvang daarvan zal toch wel meevallen voor de kleinere kantoren, meent de minister.
Uit de lastenberekeningen blijkt dat de wet vooral leidt tot een toename van de variabele kosten (per advies). “Deze toename werkt dus schaalneutraal uit”, stelt Zalm. In de tweede plaats is gekozen voor een vormvrij toezichtmodel. “Daardoor heeft de ondernemer de vrijheid om zelf te bepalen op welke wijze hij voldoet aan de eisen van de wet; een kleine ondernemer kan ervoor kiezen naleving vooral in zijn variabele kosten (handmatige verwerking) te vertalen, een grote ondernemer kan besluiten dat te doen middels een eenmalige (ICT-)investering. Daardoor kan het effect op de vaste kosten voor kleinere bedrijven nog verder beperkt blijven.
Een derde reden om te verwachten dat er geen massale uittreding van (kleine) tussenpersonen plaatsvindt, is dat de totale kosten van de wet relatief beperkt zijn ten opzichte van de omzet van de sector. De provisiebeloning voor intermediairs wordt geraamd op e 3 mld en de geschatte nalevingskosten voor intermediairs op e 60 mln.
“Bij de evaluatie van de wet binnen vier jaar na inwerkingtreding en vervolgens telkens na vijf jaar, zal verslag worden gedaan over de doeltreffendheid en de neveneffecten van de wet, waaronder ook de effecten op de marktstructuur, en andere economische doorwerkingen.”
Zalm over de reconstrueerbaarheid van het adviestraject: “Overwogen wordt om het eerste jaar als een leerjaar te beschouwen”.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.