nieuws

WFD-ronde trekt volle zalen

Archief

De wijziging van de Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf (Wabb), de invoering van de euro en het millenniumprobleem waren eerder belangrijke gespreksthema’s waarvoor het Verbond van Verzekeraars, de NVA en de NBVA het nodig vonden een ronde door het land te maken. Nooit eerder echter was de belangstelling van het intermediair zo groot als voor de nieuwe Wet op de Financiële Dienstverlening (WFD), die medio volgend jaar van kracht wordt. De acht WFD-bijeenkomsten trekken in totaal bijna vijfduizend assurantietussenpersonen.

Van dit recordaantal ingeschreven tussenpersonen kwam er vorige week in Assen alleen al zo’n tien procent opdagen. “Assen was daarmee zwaar overtekend”, stelde NVA-voorzitter Niels Mourits aan het begin van zijn inleiding niet zonder zichtbare voldoening vast. Tientallen tussenpersonen moesten daardoor noodgedwongen uitwijken naar de informatiebijeenkomsten op andere locaties, waaronder Bussum. Inschrijving is nu nog alleen mogelijk voor de reguliere en ingelaste extra bijeenkomst op 27 oktober in Bussum.
Indianenverhalen
De komst van de kaderwet WFD zal volgens Willem van Es, lid van de Verbondscommissie Intermediaire Distributie, grote veranderingen met zich meebrengen voor de bedrijfstak. Wel rekende hij af bij voorbaat met enkele indianenverhalen die de ronde hebben gedaan. “Zo is gezegd dat de WFD voor een kaalslag gaat zorgen. De vakbekwaamheid van het intermediair zou op een zodanig niveau worden gebracht dat u alleen nog maar in de studeerkamer te vinden zou zijn. De AFM werd afgeschilderd als boeman, een soort kruising van Peter R. de Vries en de AIVD. Verzekeraars en AFM zouden elkaar als vijanden beschouwen. Nou, dat is allemaal niet waar. En Doctors van Leeuwen is trouwens een veel aardiger man dan ik aanvankelijk dacht.”
Van Es benadrukte wel dat er een geheel nieuwe fase aanbreekt voor het intermediair wat betreft de omgang en de zorg voor de klant. “Veel beloven en weinig waarmaken, is er niet meer bij. Het wordt even wennen. Dit zeg ik niet om u bang te maken, maar ook niet opdat u rustig kunt blijven doorslapen”, hield hij de uitpuilende hotelzaal voor. In dat verband wees hij op de strenge eisen bij de aanvraag van de vergunning voor alle bemiddelingsactiviteiten, maar ook op de jaarlijkse controle van de bedrijfsvoering door toezichthouder de AFM. Alle financiële dienstverleners vallen onder het gedragstoezicht van de AFM, behalve de natura-uitvaartverzekeraars, pensioenfondsen en ziekenfondsen. “Die hebben hun eigen wetgeving nog. Ik verwacht echter dat de regels voor deze marktpartijen eveneens aangescherpt gaan worden tot op hetzelfde niveau als die van de WFD. Zover is het nu nog niet, maar dat gaat er op termijn zeker van komen”, aldus Van Es.
Verder riep hij het verzamelde intermediair op mee te werken aan het hoog houden van het imago van de bedrijfstak. “Er gebeuren dingen die niet goed gaan. Die zaken worden uitvergroot door de media. Daarom moeten we gezamenlijk ervoor zorgen dat onze markt in orde is door de regels na te leven.” Hoewel in de wet WFD niets is geregeld over de klachtenregeling, ziet Van Es bijzonder veel in één klachteninstituut voor de financiële dienstverlening, dat laagdrempelig en goed vindbaar is. “Een dergelijk allesomvattend instituut is er nog niet, maar zal er zeker komen. Ik verwacht echter niet op korte termijn, het zal eerder een kwestie van jaren zijn.”
Basisopleiding
NVA-voorzitter Niels Mourits, tevens de aanvoerder van de Commissie Deskundigheidseisen Financiële Dienstverlening waarin 22 vertegenwoordigers van allerhande marktpartijen zitting hebben, mocht als tweede spreker onder meer ingaan op de praktische invulling van de vakbekwaamheidseisen zoals die straks voor alle financiële dienstverleners gaan gelden. Die eisen moeten door zelfregulering tot stand komen. Veel werk is al verzet, betoogde Mourits. “De frequentie waarin de commissie bijeen komt en het tempo waarin nota’s uitgewisseld worden, liggen zeer hoog. Toch is nog niet alles uitgekristalliseerd”. Zeker is dat voor iedereen die werkzaam is in de bedrijfstak vakkennis op minimumniveau verplicht wordt gesteld. “Dat is niet het huidige B-niveau, maar veel meer een algemene basisopleiding. Dat minimumniveau geldt voor iedere medewerker, ook van verzekeraars en banken.” Over de formulering van de wettelijke deskundigheidseisen voor medewerkers die zich bezighouden met advisering en verkoop is het overleg nog gaande, zei Mourits. Zij zullen straks diploma’s moeten hebben van maximaal zeven kennismodules: hypotheken, overige bancaire producten, consumptief krediet, schadeverzekeringen, levensverzekeringen, beleggen (voor zover gekoppeld aan hypotheken of levenpolissen) en ondernemersvaardigheden. Welk specifiek minimumniveau zal gaan gelden voor deze kennismodules is nog niet bekend. “Die eisen willen dit najaar definitief bepalen. Wel staat min of meer vast dat voor de hypothekenmodule minimaal het niveau van Woningfinanciering 2 gaat gelden”, aldus Mourits. Voor adviseurs in pensioenen en in financiële planning zullen volgens hem door de markt zelf nog aanvullende vakbekwaamheidseisen vastgesteld worden.
Alle tussenpersonen – ook éénmanszaken – die in alle branches actief (willen) zijn, zullen per kantoor diploma’s van alle kennismodules in bezit moeten hebben. “Dat betekent ook dat als u of uw medewerker wegvalt, er geen bemiddeling meer mag plaatsvinden. U zult dan alles in het werk moeten stellen om de vereiste vakkennis weer zo snel mogelijk in huis te hebben”. Ook bestuurders en feitelijk leiders van een kantoor of verzekeraar moeten door middel van permanente educatie hun deskundigheid up-to-date houden om hun vergunning te behouden. Het nieuwe stelsel van permanente educatie geldt niet per kantoor maar per individu. Daarbij gaat het niet om een repetitie van eerder geëxamineerde modulekennis, maar van algemene ontwikkelingen, waaronder wet- en regelgeving. Een commissie van deskundigen gaat vaststellen welke algemene ontwikkelingen voor de onderscheidende modules relevant zijn. “De wijze waarop kennis wordt eigen gemaakt, is straks niet relevant meer. Of u dat nou uit de Libelle of uit de vakliteratuur haalt, doet er niet meer toe. U moet die kennis immers toch aantonen door middel van bijvoorbeeld het afleggen van een toets.”
Overigens is iedereen straks vrij om deze toets af te leggen bij het opleidingsinstituut van zijn of haar keuze. “Dat instituut moet aan zware eisen voldoen, maar in principe kan elk opleidingsinstituut straks examens afnemen.”
Tweedeling
NBVA-voorzitter Rob Groenemeijer, tevens voorzitter van de Commissie Transparantie & Zorgplicht, benadrukte dat de WFD voor een tweedeling gaat zorgen binnen het intermediair. Enerzijds zijn er bemiddelaars verbonden aan de verzekeraar (zonder eigen vergunning) of met contractuele afspraken (met eigen vergunning) en anderzijds de zelfstandige bemiddelaars met “een onpartijdige productanalyse van een toereikend aantal producten” en overige adviseurs.
Het probleem zit volgens Groenemeijer vooral bij de tweede en derde categorie tussenpersonen. Het assurantiekantoor dat contractuele afspraken (productieverplichtingen) heeft, is volgens de WFD niet onafhankelijk. “In de jongste Stuurgroepvergadering is die vraag nog eens expliciet aan het ministerie van Financiën voorgelegd. Die heeft nog eens nadrukkelijk gezegd dat zo’n tussenpersoon niet onafhankelijk is, omdat er geen sprake kan zijn van een onpartijdige productanalyse.” Een kanttekening is volgens hem wel dat tussenpersonen die productieafspraken hebben gemaakt over bijvoorbeeld levensverzekeringen wél onafhankelijk advies kunnen geven over andere (schade)verzekeringen.
Een tweede probleem waarmee de commissie Transparantie & Zorgplicht nog worstelt, is de exacte invulling van het in de WFD omschreven begrip ‘een toereikend aantal producten’ als voorwaarde voor een ‘onpartijdige analyse’. “We zijn daar nog uit. Het wordt deels een kwantitatieve en deels een kwalitatieve invulling. Onze ideeën tenderen in de richting van een productenpalet dat een professionele afspiegeling van de markt is”, zei Groenemeijer vrij cryptisch.
Over de contractuele productieafspraken met de verzekeraar(s) zelf en over de beloningsvorm (provisie, uurloon of fee) dient het intermediair volledig transparant te zijn naar de consument. De namen van verzekeraars waarmee de productieafspraken zijn gemaakt, hoeven alleen op verzoek te worden verstrekt. “Maar als u heel transparant bent, wijst u de consument ook op het recht om die informatie op te vragen”, merkte Groenemeijer op, wat hem prompt veel hoongelach uit de zaal opleverde.
Klantprofiel
De NBVA-voorman doceerde echter onverstoord verder en wees erop dat de transparantie en zorgplicht toenemen naarmate sprake is van complexere producten, hogere inleg en/of grotere risico’s. Om de omvang van die zorgplicht te kunnen bepalen, moet het intermediair een klantprofiel maken, waarin onder meer financiële positie, materiekennis, ervaring en risicobereidheid van de consument zijn vastgelegd.
Op dat klantprofiel heeft de consument recht, had Van Es aan het begin van de avond al gememoreerd. “U bent straks gehouden om zo’n klantenprofiel als uitgangspunt te nemen voor de inhoud en wijze van uw advisering. U zult dat op enig moment moeten kunnen aantonen. Dat neemt overigens niet weg dat de consument ook de zorgplicht heeft om voldoende informatie over zijn of haar financiële situatie te geven. De consument is geen hulpeloze strompelaar die tegen zichzelf moet worden beschermd, hij of zij heeft een eigen keuzeverantwoordelijkheid.”
Dat klantprofiel is volgens Groenemeijer het opstapje naar de opbouw van het verkoopadvies dor de tussenpersoon en zijn gemotiveerde keuze voor een bepaalde verzekeraar. “Dit alles dient u bovendien in een klantdossier (papertrail) bij te houden.” Deze protocollering is volgens hem nodig als de AFM – steekproefsgewijs – de gang van zaken bij het assurantiekantoor wil controleren. Over een uniforme wijze van protocollering zijn de NVA, NBVA en verzekeraars nog in onderling overleg. “Het doel is om tot een modelprotocol voor elke productsoort te komen”, liet Groenemeijer weten.
Overgangsperiode
Het intermediair krijgt een overgangsperiode om zich op de nieuwe eisen van de WFD voor te bereiden. Na het vaststellen van de WFD hebben financiële dienstverleners één maand de tijd om de vereiste vergunning aan te vragen bij de AFM. Aansluitend geldt een termijn van maximaal drie maanden waarbinnen de vergunningaanvrager alle benodigde documentatie (o.m. diploma’s) moet insturen. De AFM moet dan vervolgens binnen een jaar de vergunningsaanvraag verwerken, maar kan deze termijn met maximaal twee keer een half jaar verlengen.
Slotspreker Kees van Kemenade, projectmanager bij de AFM, verontschuldigde zich bij voorbaat al voor de te verwachten vertraging. “We rekenen op tienduizenden vergunningsaanvragen voor de diverse modules, die we allemaal zorgvuldig willen bekijken.” Als over de vergunningsaanvraag uiteindelijk negatief door de AFM wordt besloten, zijn de consequenties wel direct merkbaar. “In dat geval moet de aanvrager ogenblikkelijk stoppen met zijn bemiddelingsactiviteiten.”
De verleende vergunningen voor alle kennismodules worden opgeslagen in een openbaar toegankelijk register, dat via de website van de AFM (www.afm.nl) raadpleegbaar zal zijn.
Aan de poort
Het toezicht van de AFM beperkt zich tot de controle van financiële dienstverleners op hun betrouwbaarheid, deskundigheid, financiële zekerheid, administratieve organisatie en interne controle, transparantie en zorgplicht (voor consument). De eerste vier kenmerken worden “aan de poort getoetst”, dat is op het moment dat de vergunning wordt verleend. De beide laatste kenmerken worden doorlopend gecontroleerd.
Iedere medewerker moet voldoende deskundig zijn, maar de toetsing daarvan door de AFM beperkt zich tot de bestuurder of feitelijk leider. “De exacte eisen moeten nog gedefinieerd worden, maar omvatten onder meer het vermogen om corrigerend te kunnen optreden en daadwerkelijk werkzaam en aanwezig te zijn op het kantoor, aldus Van Kemenade. Of een financiële dienstverlener aan de wettelijke eisen blijft voldoen, wordt aan de hand van een periodieke self-assessment vastgesteld. “Jaarlijks moet elektronisch een vragenformulier van circa tien pagina’s A4 worden ingevuld waarmee wordt aangegeven of er invulling is gegeven aan de normen. Indien niet, zal de dienstverlener zelf actie moeten ondernemen. De beoordeling door de ASFM van het vragenformulier kan leiden tot verdere vragen dan wel een controle op het kantoor.”
Een vraag vanuit de zaal wat er terecht komt van het kabinetsbeleid om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven met een kwart terug te brengen, kon door Van Kemenade niet afdoende worden beantwoord. “Nieuwe wetgeving brengt nieuwe administratieve lasten met zich. De AFM gaat wel onderzoeken of de administratieve lastenverzwaring door de WFD in goede banen valt te leiden.” NVA-voorzitter Mourits kon daaraan toevoegen. “Uit het overleg van de stuurgroep is naar voren gekomen dat de lastenverzwaring door de WFD wel eens kan leiden tot vermindering van administratieve verplichtingen op andere terreinen, bijvoorbeeld voor de Financiële Bijsluiter”.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.