nieuws

Wettelijke rente over bruto bedragen

Archief

Wettelijke rente

Bruto – netto. Hoge Raad 24.6.1994 Rechtspraak van de Week 1994 nr 147 Een werknemer stelt een loonvordering in en vordert betaling van het bruto loon (waarop de werkgever uiteraard inhoudingen moet doen), vermeerderd met de wettelijke rente over de bruto bedragen. De kantonrechter wijst de wettelijke rente echter slechts toe over het netto deel van het loon dat aan de werknemer wordt uitgekeerd. In hoger beroep bevestigt de rechtbank het vonnis. Art. 1286 (oud) BW, dat op de loonvordering van toepassing is, spreekt over vergoeding van kosten, schade of interessen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank alleen sprake voor zover het betreft het netto deel van het loon. De werknemer lijdt immers geen schade doordat de werkgever de belasting en premies op een later tijdstip afdraagt. De werknemer stelt tegen dit vonnis cassatieberoep in en krijgt van de Hoge Raad gelijk. De Hoge Raad overweegt dat de werkgever met de betaling van het bruto loonbedrag in gebreke is gebleven. Daarom moet de wettelijke rente over het bruto loonbedrag worden berekend. (W.L.) Art. 1638x BW. Eigen verantwoordelijkheid werknemer. Hoge Raad 24.6.1994 Rechtspraak van de Week 1994 nr 142 Een werknemer/monteur is op een scheepswerf werkzaam in het ruim van een schip. De werknemer wil met een pijp vanuit het ruim het schip verlaten. Er is een vaste ruimtoegang, maar de werknemer kan die niet gebruiken in verband met de mee te nemen pijp. Daarnaast is er een lange, veilige, vaststaande ladder. Deze is echter in gebruik. De werknemer maakt daarom gebruik van een niet verankerde, aluminium ladder die in het ruim aanwezig is. Terwijl hij die ladder beklimt, glijdt deze weg. De werknemer valt en raakt gewond. De Arbeidsinspectie maakt rapport op en constateert dat er geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet is. De werknemer spreekt zijn werkgever aan tot vergoeding van de schade. De kantonrechter wijst de vordering af. In hoger beroep voert de werknemer aan dat de werkgever erop moet toezien dat volgens een veilige werkmethode wordt gewerkt. Door de onveilige ladder niet te verwijderen en niet toe te zien op goed gebruik heeft de werkgever zijn verplichting ex art. 1638x BW geschonden. De rechtbank volgt de werknemer niet in dit betoog. De rechtbank beslist dat de werkgever niet gehandeld heeft in strijd met art. 1638x BW. Er waren twee veilige op- en afgangen in het ruim. Indien een werknemer ervoor kiest om in plaats van via de veilige weg, via een andere weg te gaan die voor hem als ervaren werknemer kenbaar onveilig is, dan is dat een handelwijze die voor zijn eigen verantwoordelijkheid komt. Niet gezegd kan worden dat de werkgever een onveilige situatie heeft geschapen, noch dat de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen om de veiligheid te waarborgen. De werknemer stelt tegen het vonnis van de rechtbank cassatieberoep in. De belangrijkste klacht in cassatie richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de werkgever niet tekortgeschoten is. De Hoge Raad verwerpt deze klacht. Het oordeel van de rechtbank is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. Voorts klaagt de werknemer in cassatie erover dat de rechtbank zijn beslissing kennelijk gebaseerd heeft op eigen schuld door te overwegen dat de handelwijze van de werknemer voor zijn eigen verantwoordelijkheid komt. De werknemer voert daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat van eigen schuld bij art. 1638x BW alleen sprake is in gevallen van opzet of bewuste roekeloosheid. Ook deze klacht oordeelt de Hoge Raad ongegrond. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer zijn slechts gebruikt om te motiveren dat de werkgever niet tekortgeschoten is. De rechtbank is aan de eigen schuld dus niet toegekomen. (W.L.) Aansprakelijkheid jachthaven. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 29.11.1993 Nederlandse Jurisprudentie 1994 nr 456 Een eigenaar van een jacht staat op de steiger voor zijn boot met iemand te praten. Aan de steiger is een veiligheidsdraad bevestigd. De eigenaar en zijn gesprekspartner leunen tegen die veiligheidsdraad. Wanneer de draad afbreekt, vallen de beide mannen in het water. De eigenaar van het jacht raakt daarbij gewond. Hij loopt een snijwond op aan zijn been door een op de steiger gemonteerd metalen bordje waarop de ligplaats staat aangegeven. De eigenaar stelt de jachthaven aansprakelijk omdat de bevestiging van de veiligheidsdraad onvoldoende is geweest. Bovendien was het metalen plaatje zonder noodzaak vlijmscherp. Het Hof beslist dat de initiële oorzaak van de val niet het afbreken van de bevestiging van de veiligheidsdraad was, maar het feit dat de eigenaar van het jacht en zijn gesprekspartner tegen de draad hebben geleund. De draad heeft slechts een markerings- en geleidingsfunktie en is niet bedoeld om er tegen te leunen. Daarom komen de gevolgen van het afbreken van de veiligheidsdraad volledig voor rekening van de jachteigenaar. (W.L.) Cascoverzekering caravan. Normale voorzichtigheid. Arrondissementsrechtbank Amsterdam 25.3.1992 Verkeersrecht 1994 nr 65 Een eigenaar van een caravan sluit voor die caravan een cascoverzekering. De voorwaarden bepalen dat van de verzekering is uitgesloten de schade die ontstaat indien verzekerde niet de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen ter voorkoming van onder andere diefstal. Wanneer de verzekerde met de caravan op vakantie wil gaan, wordt deze, beladen, afgesloten en met uitgedraaide poten geparkeerd op een bedrijfsterrein vlak bij de woning van de verzekerde. De caravan is niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Desondanks wordt de caravan die nacht gestolen. De verzekeraar weigert uit te keren en stelt zich op het standpunt dat de verzekerde niet de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen. De rechtbank stelt de verzekeraar in het gelijk. De caravan was op een eenvoudige wijze weg te rijden. In de gegeven omstandigheden lag het op de weg van de verzekerde extra beveiligingsmaatregelen te treffen. (W.L.) Cascoverzekering. Poging tot misleiding bij schade. Gerechtshof ‘s-Gravenhage 21.1.1992 Verkeersrecht 1994 nr 63 Na een diefstal van een auto deelt de verzekerde aan de expert mee dat hij de auto schadevrij had gekocht voor een bepaald bedrag. Uit nader onderzoek van de expert blijkt echter dat de verzekerde de auto voor een aanzienlijk lager bedrag heeft gekocht en dat aan de auto toen ernstige schade bestond. De verzekeraar weigert dan uit te keren en beroept zich op een bepaling in de voorwaarden van verzekering, blijkens welke de verzekeringnemer het recht op uitkering verliest indien hij ten aanzien van een onderdeel van een claim of ten aanzien van de omstandigheden waaronder het evenement plaatsvond onjuiste gegevens verstrekt. De verzekerde is van mening dat de verzekeraar zich niet aan uitkering kan onttrekken en dagvaardt de verzekeraar. De rechtbank stelt de verzekeraar in het gelijk. In hoger beroep overweegt het Hof dat de verzekeraar, vooral in geval van diefstal, erop moet kunnen vertrouwen dat de verzekerde juiste en volledige informatie verstrekt. Het gaat hier om een zware verplichting van de verzekerde die een rigoureuze sanctie in beginsel rechtvaardigt. Met name wanneer, zoals in dit geval, er sprake is van een bewuste poging tot misleiding, is toepassing van die sanctie niet licht in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De verzekerde is spitsvondig en voert nog aan dat de verzekeraar door zijn gedraging niet daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden. Het Hof verwerpt dit betoog. Naar zijn aard is de bepaling niet alleen van toepassing indien de verzekeraar daadwerkelijk is benadeeld. De bepaling zou dan weinig betekenis hebben. Bovendien overweegt het Hof, even spitsvondig, dat de poging tot misleiding minstgenomen extra expertisekosten heeft veroorzaakt. (W.L.) Aansprakelijkheid Waterschap voor overstroming. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 10.11.1993 Nederlandse Jurisprudentie 1994 nr 492 Na een periode van hevige regenval stroomt de waterafvoer van een gebied over en komen daaraan grenzende gronden onder water te staan. Een van de grondeigenaren spreekt het Waterschap aan tot vergoeding van de schade. Het Waterschap zou het tijdig treffen van maatregelen achterwege hebben gelaten en zou in haar zorgplicht zijn tekortgeschoten. Het Waterschap beroept zich op overmacht en op haar vrijheid om ter behartiging van de haar opgedragen taken zelf prioriteiten te stellen. In de procedure wordt vastgesteld dat de capaciteit van het afwateringsstelsel op zich toereikend is om de regenval in de betreffende periode te verwerken. Dat er toch overstromingen ontstonden, is een gevolg van het feit dat het Waterschap, ter voorkoming van droogteschade, een relatief hoog peil heeft gehandhaafd. Het Waterschap wijst erop dat zij verschillende belangen heeft afgewogen en zorgvuldig een keuze heeft gemaakt. Het Hof volgt het Waterschap hier niet in. Het Waterschap was bekend met het gevaar van inundatie van de betreffende gronden. Dit is een gevolg van het feit dat de oevers ter plekke niet voldoende hoog zijn. Wanneer het Waterschap geen maatregelen treft, zoals het verhogen van de oever, kan het geen beroep doen op haar beleidsvrijheid. Het Waterschap voert nog aan dat effectieve waterbeheersing pas mogelijk is indien andere overheden structurele maatregelen hebben getroffen. Ook dit betoog vindt bij het Hof geen genade. Als effectieve waterbeheersing ter plaatse niet mogelijk is, had het Waterschap alleen tot het handhaven van een hoger peil mogen besluiten indien het zich de belangen van de grondeigenaar had aangetroffen door hem te waarschuwen en de schade voor haar rekening te nemen. Door dat niet te doen, heeft het Waterschap onrechtmatig gehandeld en is het aansprakelijk. (W.L.) Parkeren onder viaduct. Gerechtshof Amsterdam 1.4.1993 Nederlandse Jurisprudentie 1994 nr 502 Een boer woont vlak bij een viaduct. Onder dat viaduct is een ruimte waar zonder gevaar of hinder voertuigen kunnen worden geparkeerd. Op een zekere nacht plaatst hij daar aanhangwagens met stro. Vermoedelijk heeft ’s nachts iemand die aanhangwagens met stro in de brand gestoken. Het gevolg daarvan is dat schade aan het viaduct ontstaat. De Staat spreekt de boer voor die schade aan. De rechtbank beslist dat de boer voor de schade aansprakelijk is. Het Hof bevestigt dit vonnis in hoger beroep. Iemand die andermans bouwwerk in gebruik neemt voor de exploitatie van zijn bedrijf heeft jegens de eigenaar van dat bouwwerk een zorgplicht. Dat door onrechtmatig of onoplettend gedrag van derden brand zou ontstaan, lag niet zozeer buiten de normale verwachtingen dat de boer daarop niet bedacht behoefde te zijn. Hij had maatregelen daartegen moeten nemen, maar dat heeft hij ten onrechte achterwege gelaten. De boer moet de schade van de Staat vergoeden. (W.L.) Verzwijging. Partiële nietigheid. Hoge Raad 26.3.1993 Verkeersrecht 1994 nr 2 Een verzekerde sluit een brandverzekering voor een opstal. De opstal bestaat uit een woonhuis en een nissenhut. De verzekerde oefent in de nissenhut zijn bedrijf uit, namelijk een groothandel in nieuwe en gebruikte auto’s. In het aanvraagformulier wordt de vraag gesteld of in de opstal een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend. De verzekerde beantwoordt de vraag ontkennend. Wanneer later brand in het woonhuis ontstaan, beroept de verzekeraar zich op nietigheid van de verzekeringovereenkomst wegens onjuiste beantwoording van deze vraag. De verzekerde dagvaardt de verzekeraar, maar wordt door zowel de rechtbank als het Hof in het ongelijk gesteld. In het cassatieberoep komen onder andere de volgende stellingen aan de orde. De verzekerde betoogt dat het hem er vooral om ging het woonhuis te verzekeren. Het verzekeren van de nissenhut was door hem niet beoogd, zij het dat deze uiteindelijk wel werd meeverzekerd. Onder deze omstandigheden heeft de verzekerde onder opstal alleen het woonhuis verstaan. In het woonhuis werd geen beroep of bedrijf uitgeoefend. De Hoge Raad passeert dit betoog. Voor een beoordeling van deze stelling is een onderzoek van de feiten nodig en daarvoor is in cassatie geen plaats. Daarnaast voert de verzekerde in cassatie aan dat het Hof ten onrechte voorbijgegaan is aan de mogelijkheid om slechts te beslissen tot partiële nietigheid van de overeenkomst, namelijk alleen voor zover het de verzekering van de nissenhut betreft. Volgens de verzekerde was daartoe een mogelijkheid, omdat er geen onverbrekelijke band tussen de delen van de overeenkomst bestaat. Ook aan dit betoog gaat de Hoge Raad voorbij met de overweging dat de kwestie voor het eerst in cassatie wordt aangevoerd, dat voor een beoordeling van het betoog een onderzoek van de feiten nodig is en dat cassatie zich daarvoor niet leent. (W.L.) copij 81 – 1 –

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.