nieuws

Wetsvoorstel pensioenen: met de tong op de schoenen

Archief

Het Wetsvoorstel fiscale behandeling van pensioenen ligt inmiddels bij de Eerste Kamer. De laatste ronde in de parlementaire behandeling is ingegaan. Het totale resultaat is niet slecht, maar blijft bijzonder gedetailleerd, blinkt op vele punten (nog steeds) niet uit in duidelijkheid, en zal in de pensioenuitvoering voor de nodige problemen en kosten zorgen.

Door Alfred Lagendijk
Hieronder treft u een bloemlezing aan van de belangrijkste punten uit de Memorie van Antwoord van de Eerste Kamer. Het eerste wezenlijke punt is dat van de restbegunstiging.
Inmiddels is duidelijk geworden dat men op het ministerie van Financiën vindt dat de begunstiging van erfgenamen op pensioenpolissen alleen mogelijk is voor zover de betreffende werknemer een gehuwde of ongehuwde partner heeft en er derhalve een nabestaandenpensioen verzekerd is. Een alleenstaande kan niet zijn erfgenamen als begunstigde aanwijzen.
Dit geldt zowel voor bestaande polissen als voor onder de nieuwe wetgeving af te sluiten polissen. Volgt men dit beleid dan dienen er vele polissen, zowel collectief als individueel aangepast te worden.
2,33% en DGA
Pensioenaanspraken die zijn gebaseerd op een opbouwpercentage van 2,33 blijven gehandhaafd. Vanaf vijf jaar na invoering van het wetsvoorstel zal ook de DGA terug moeten naar een opbouwpercentage van vijf jaar. Salarisverhogingen en andere grondslagverbeteringen mogen slechts toegekend worden tegen 2% per dienstjaar.
Dit betekent dat bij een salarisverhoging die in het jaar 2000 wordt toegekend de pensioenopbouw gesplitst wordt. Over het oude salaris wordt tegen 2,33% opgebouwd en over de verhoging ten opzichte van het jaar 1999 wordt tegen 2% opgebouwd. Dit dient te gebeuren zowel bij pensioenen op rentebasis als bij pensioenen op kapitaalbasis.
Bovenmatige heffing
De aan het bovenmatige deel van het pensioen toe te rekenen waarde in het economische verkeer zal in het belastingstelsel voor de 21e eeuw onder de forfaitaire rendementsheffing worden gebracht.
Aan deze van jaar tot jaar toenemende waarde wordt dan, voor zover het de vrijstelling te boven gaat, een forfaitair rendement toegerekend van 4%. Op deze wijze zou een gelijke behandeling worden gecreëerd met de overige vermogensbestanddelen die onder de forfaitaire rendementsheffing vallen en waarvoor eveneens geen premie-aftrek is genoten.
Buitenlandse diensttijd
De bij een buitenlands concernonderdeel doorgebrachte diensttijd wordt als binnenlandse diensttijd in aanmerking genomen. Voorwaarde is dat bij dat concernonderdeel niet is deelgenomen aan een pensioenregeling.
Deelname aan een buitenlandse pensioenregeling leidt er niet toe dat deze periode niet als diensttijd wordt aangemerkt. Hooguit wordt de pensioenopbouw in Nederland verminderd met het in het buitenland opgebouwde pensioen. Dit geldt ook voor een regeling die vergelijkbaar is met de Nederlandse AOW.
Internationale overdracht
Overdracht van pensioenkapitaal naar een in het buitenland gevestigd pensioenfonds of aldaar gevestigde verzekeraar is op grond van de huidige regels, onder bepaalde voorwaarden mogelijk.
Ingevolge het Besluit van 2 december 1996 (nr. DB96/113M) is een fiscaal geruisloze overdracht van pensioenkapitaal toegestaan. De eerste voorwaarde is dat de belastingplichtige Nederland metterwoon heeft verlaten wegens het aanvaarden van een dienstbetrekking in het buitenland. Ten tweede moet de overdracht plaatsvinden naar een land waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting naar het inkomen heeft gesloten. Ten derde moet de Verzekeringskamer ontheffing hebben verleend voor de overdracht. Ten slotte moet sprake zijn van aanvaarding van een substantiële dienstbetrekking en zou een substantiële pensioenbreuk moeten ontstaan als de overdracht niet zou kunnen plaatsvinden.
Blijft de betreffende werknemer in Nederland wonen, dan is een fiscaal geruisloze overdracht van pensioenkapitaal niet mogelijk.
100%-norm
Het negende lid van artikel 18a verlangt voor het ouderdomspensioen slechts een toetsing aan de 100%-grens, op het moment van toekenning van de (eerste) aanspraak én op het moment direct voorafgaande aan de pensioeningang. Leden van de fracties van het CDA en de PvdA vragen hoe deze toets zich verhoudt tot de 100%-norm uit het vierde lid van artikel 18a, dat zegt dat het pensioen moet ingaan als op of na 65-jarige leeftijd het maximum wordt bereikt.
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of het is toegestaan om het aan de pensioengerechtigde toe te rekenen ‘afroombedrag’ uit te keren, zodat daaruit de verschuldigde belasting kan worden voldaan.
Beschikbare premie
Bij pensioenstelsels waarin een recht op een bepaalde al dan niet geïndexeerde uitkering wordt toegezegd, zoals eindloon en middelloonregelingen, leidt de 100%-toets niet tot problemen. Voor eindloon- en middelloonregelingen vindt de toets aan de 100%-norm plaats indien na het bereiken van een vol pensioen van 70% alsnog wordt besloten om door te werken. Op dat moment is immers vooraf al vast te stellen wanneer de 100%-grens zal worden bereikt.
Bij beschikbare-premieregelingen ligt dit anders. De uiteindelijke uitkering kan niet vooraf worden vastgesteld, aangezien deze vooral wordt bepaald door niet te voorspellen beleggingsresultaten op de ingelegde premies.
Het moment waarop de 110%-grens wordt bereikt, kan dus niet worden bepaald. Het kan zelfs zo zijn dat op het ene moment de 100%-grens wordt overschreden, terwijl de te verwachten uitkeringen door negatieve beleggingsresultaten even later weer ver onder die grens dalen. Daarom hoeft toetsing aan de 100%-norm nog slechts plaats te vinden op het moment van een eerste toekenning van de premie en op het moment direct voorafgaand aan de pensioeningang.
Voor middelloon- en eindloonregelingen blijven de regels inzake verplichte ingang gehandhaafd. Het ligt voor de hand de datum van pensioeningang te bepalen op de in de regeling genoemde ingangsdatum tussen 60 en 65 jaar en uitstel van de ingangsdatum alleen toe te staan indien wordt doorgewerkt, tot uiterlijk 70 jaar.
Op het moment waarop het pensioen ingevolge een beschikbare-premieregeling ingaat, zal het meerdere boven de 100% als een kapitaal ineens worden belast. Dit meerdere kan na inhouding van belasting aan de gerechtigde worden uitbetaald.
Prepensioen
Naar mijn mening geldt dit overigens ook voor het nabestaandenpensioen en prepensioen. Dit biedt bijvoorbeeld mogelijkheden om een prepensioen aan een nabestaande te laten toekomen niet alleen in de vorm van een levenslang of tijdelijk nabestaandenpensioen, maar ook als uitkering ineens.
Omdat in een dergelijke situatie in de visie van de regering sprake is van een gedeeltelijke afkoop van het pensioen zal de Pensioen- en spaarfondsenwet moeten worden aangepast om een vrijval van het overschot mogelijk te maken.
Mr. A.S. Lagendijk is werkzaam bij de fiscale en juridische sectie Pensioenen & Verzekeringen van PriceWaterhouseCoopers in Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.