nieuws

Wet fiscale behandeling van pensioenen, en nu?

Archief

Per 1 juni 1999 is de Wet fiscale behandeling van pensioenen in werking getreden. In eerdere bijdragen in Assurantie Magazine zijn de voorgestelde wijzigingen al uitgebreid behandeld. Voor de adviseur is het nu interessant welke directe gevolgen de wet nu heeft voor bestaande en nieuwe pensioenregelingen.

door Natasja Winter
Vanaf 1 juni moet de nieuwe wet in beginsel worden toegepast op alle Nederlandse pensioenregelingen. Nieuw op te stellen pensioenregelingen zullen geheel conform de nieuwe bepalingen moeten worden opgesteld, wil er sprake zijn van een fiscaal zuivere pensioenregeling. Gevolg van een niet fiscaal zuivere pensioenregeling is dat de aanspraken direct belast worden.
Omdat het uiteraard niet mogelijk is alle pensioenregelingen in Nederland op korte termijn aan te passen, is in de wet een overgangstermijn opgenomen. Uiterlijk op 1 juni 2004 dienen alle pensioenregelingen te voldoen aan de wet. Voor bestaande regelingen geldt in beginsel een overgangsregime van vijf jaar. Aan deze overgangstermijn hangt echter een grote ‘maar’.
Overgangstermijn
De overgangstermijn geldt slechts voor pensioenregelingen die onder de oude wet- en regelgeving als fiscaal zuivere regelingen kunnen worden aangemerkt. Dit zijn de pensioenregelingen die aan de aanbevelingen van het Rapport Witteveen en de jurisprudentie voldoen. Ook door de Belastingdienst goedgekeurde regelingen kunnen in aanmerking komen voor de overgangstermijn.
Zodra een fiscaal goedgekeurde pensioenregeling tijdens de overgangstermijn wordt aangepast ‘op een meer dan ondergeschikt punt’, vervalt het overgangsregime en zal de regeling moeten worden aangepast aan de nieuwe wettelijke bepalingen. Wat ‘op een meer dan ondergeschikt punt’ echter inhoudt, is niet voor alle situaties duidelijk.
In de praktijk blijken veel regelingen niet geheel te voldoen aan de vereisten van de oude wet- en regelgeving, zodat voor deze regelingen het overgangsregime niet van toepassing is. De inwerkingtreding van de wet kan voor de adviseur dan ook een goede aanleiding vormen om lopende pensioenregelingen te toetsen aan de nieuwe vereisten en de werkgever te wijzen op de fiscale risico’s. Veel werkgevers zijn zich immers niet bewust van het fiscale risico dat zij lopen.
Onzuiver
De vraag is natuurlijk welke elementen een pensioenregeling onzuiver maken, waardoor het overgangsregime niet van toepassing is. Hieronder volgen de meest gangbare.
Eén van de meest voorkomende elementen van beschikbare premieregelingen waarover discussie ontstaat met de Belastingdienst, zijn de premiestaffels. Er zijn beschikbare premieregelingen, waarbij de uitgangspunten van de premiestaffel niet voldoen aan de oude wet- en regelgeving. Zo is in het Rapport Witteveen voorgeschreven dat een premiestaffel leeftijdsklassen van maximaal tien jaar (onder nieuwe wetgeving maximaal vijf jaar) mag bevatten. Er zijn situaties bekend waarin leeftijdsklassen van twintig jaar worden gehanteerd.
Gevolg hiervan is dat de premiepercentages voor de jongere werknemers in die leeftijdsklassen meestal te hoog zijn. Een staffel met een leeftijdsklasse van 25 tot 45 jaar en een bijbehorend premiepercentage van 17, levert voor de 25-jarige werknemer een premie op van 17% van de pensioengrondslag. Onder normale omstandigheden zou dit ongeveer 10% mogen bedragen. In situaties waarin aannemelijk kon worden gemaakt dat de gehanteerde percentages niet tot een bovenmatig pensioen leiden, kon de regeling ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Belastingdienst. Dergelijke goedgekeurde regelingen vallen uiteraard wel onder het overgangsregime, mits tussentijds geen aanpassingen in de regeling plaatsvinden.
Verder zijn regeling waarbij aan alle werknemers één gelijkblijvende premie wordt toegekend, meestal ook onzuivere. Slechts in situaties waarin sprake is van één gelijkblijvend laag premiepercentage – te weten het percentage dat van toepassing zou zijn op de jongste deelnemer -, zal de regeling fiscaal zuiver zijn. In andere gevallen leiden de te hoge premies voor jonge werknemers tot een onzuivere regeling.
Bereikbaar pensioen
Een ander element op basis waarvan pensioenregelingen als fiscaal onzuiver kunnen worden aangemerkt, zijn de bereikbare pensioenniveaus. Dit speelt voornamelijk bij beschikbare premieregelingen een rol. In deze regelingen wordt namelijk op de pensioendatum een kapitaal ter beschikking gesteld, waarvan een pensioen moet worden aangekocht.
Door goede beleggingsresultaten is het mogelijk dat het kapitaal zo hoog is dat een ouderdomspensioen kan worden aangekocht die hoger is dan 100% van het laatstgenoten salaris. Dit is niet toegestaan. Daarnaast bestaan er pensioenregelingen, waarbij nabestaanden een hoger nabestaandenpensioen kunnen aankopen dan wettelijk is toegestaan.
Er is een aantal uitzonderingen op grond waarvan de genoemde grenzen overschreden mogen worden. Dit zijn de positieve gevolgen van waarde-overdracht, variabilisering in de uitkering (100:75), indexering van pensioen van niet-actieven, en ruil van nabestaanden- en ouderdomspensioen.
Eigen invulling
Om het aangename met het onaangename te verenigen kan (verplichte) aanpassing van de regeling aangegrepen worden om flexibiliseringselementen in de nieuwe regeling op te nemen. De nieuwe wet biedt een aantal mogelijkheden, waarmee werkgevers een pensioenregeling kunnen bieden die hun werknemers voor een groot deel naar eigen wens kunnen invullen.
Een flexibele pensioenregeling vormt een aantrekkelijke arbeidsvoorwaarde. Het aardige is dat deze flexibiliseringselementen voor de werkgever niet tot extra kosten hoeven te leiden. Door ze op te nemen in de regeling, krijgt de werknemer de mogelijkheid zijn pensioenregeling individueel in te vullen, waarbij alle kosten voor rekening van de werknemer zijn. De werkgever kan ook besluiten de werknemer tegemoet te komen door een deel van de kosten voor zijn rekening te nemen. Men kan denken aan de volgende elementen.
Spaarloon- en premiespaarregelingen: naast de onbelaste deblokkering voor het eigen huis en de aankoop van lijfrentes, kan het saldo nu ook worden aangewend om extra pensioen op te bouwen.Vrijwillige bijdragen: voorzover er nog ruimte is binnen de pensioenregeling kan een werknemer extra pensioenpremies (in te houden op het brutosalaris) storten op zijn pensioenrekening.Variabel salaris: bij middellloon- en beschikbare premieregelingen kan de werknemer pensioen opbouwen over variabele loonbestanddelen, zoals bonussen en winstdeling, maar ook over loon in natura.Uitruil van pensioen: werknemers met werkende partners of zonder partner kunnen hun nabestaandenpensioen uitruilen voor extra ouderdomspensioen, of voor een prépensioen.Eerder met pensioen: in onderling overleg kan van de pensioendatum worden afgeweken. Als een werknemer eerder met pensioen gaat kan hij zijn lagere ouderdomspensioen ophogen door bij te sparen via één van de hierboven genoemde mogelijkheden.Bovenstaande opsomming is zeker niet uitputtend, maar kan een goede start zijn om een pensioenregeling te updaten.
Pensioenen & Verzekeringen van PricewaterhouseCoopers te Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.