nieuws

Waterreus hamert op materiedeskundigheid

Archief

“Als je het niet kan betalen, dan moet je het niet verzekeren.” Deze uitspraak van voormalig assurantiebeursman Joop Waterreus lijkt een open deur. Waterreus constateert dat er momenteel werkgroepen in het leven worden geroepen om zich te buigen over de verzekerbaarheid van risico’s van terrorisme, overstromingen en aardbevingen. “Dat zijn dossiers die we jaren geleden ook al besproken hebben. Ze liggen op de plank bij het Verbond van Verzekeraars. Toen al was de conclusie: dat soort risico’s zijn niet via de gebruikelijke technieken te verzekeren, omdat ze de grenzen van verzekerbaarheid overschrijden.”

door Manon Vonk
Ook al nam Joop Waterreus een jaar geleden afscheid van de verzekeringsbranche, hij is er nog vrijwel wekelijks, zo niet dagelijks, mee bezig. Vanwege zijn kennis van de branche wordt er nog regelmatig een beroep op hem gedaan door de Pensioen- & Verzekeringskamer. Ook is hij actief als getuige-deskundige in verzekeringszaken voor de rechtbank. “Ik blijf de ontwikkelingen in de branche nauwgezet volgen. Het is interessant en het houdt je scherp. Ik wil niet achter de geraniums zitten en alleen nog met de honden wandelen.”
Waterreus verbaast zich dan ook dat er nu weer een werkgroep Terrorisme is opgericht. “Naar aanleiding van de Makro-branden jaren geleden, is er een werkgroep Terrorisme in het leven geroepen. Toen al luidde de conclusie dat het echte grote terrorisme niet te verzekeren is. Datzelfde geldt voor overstromingen en aardbevingen. Die dossiers liggen allemaal op de plank bij het Verbond van Verzekeraars. Ik begrijp dus niet dat men het nu weer nodig vindt daar een werkgroep voor in het leven te roepen. Het is niet via de gebruikelijke technieken te verzekeren, dus moet je het anders aanpakken.”
Waterreus pleit voor een preventieve aanpak. “Terrorismebestrijding, dijken verhogen en overleggen met onder meer de Gasunie in het geval van de aardbevingen. Verder moet er een rampenfonds komen, waaruit de eventuele schades gefinancierd kunnen worden. Het is eigenlijk heel simpel. Je verhoogt de assurantiebelasting met een kwart of een half procent voor alle verzekeringsproducten. Dat geld wordt gestort in een rampenfonds. Binnen een paar jaar tijd, als er in de tussentijd niets gebeurt, heb je dan een enorm bedrag bij elkaar. Hiermee kunnen dan schades door dit soort calamiteiten betaald worden en verzekeraars kunnen gewoon hun verplichtingen nakomen.” Daar staat tegenover, vindt Waterreus, dat in het geval van calamiteiten verzekeraars hun kennis, expertise en mankracht voor schadeafhandeling beschikbaar moeten stellen.
Grote risico’s
Dat brengt Waterreus meteen op een paar van zijn stokpaardjes: de dekking van grote en specifieke risico’s in Nederland en vakkennis. “Er zullen altijd risico’s zijn die te groot of assurantietechnisch gezien te zwaar zijn voor één verzekeraar. Het spreiden van het risico is dan bij uitstek het goede mechanisme om toch dat risico te kunnen dekken. Om dat echter te kunnen, heb je materiekennis nodig. Als je verantwoord wil accepteren, moet je wel weten hoe een fabriek of een schip er van binnen uitziet. Je hebt technisch onderlegde mensen nodig die het risico kunnen inschatten en kunnen vertalen naar een polis. Het gaat niet alleen om branchekennis, maar ook om riskmanagement. Voor een deel wordt dat natuurlijk door de makelaars gedaan. Maar ook de verzekeraar moet kunnen inschatten welke capaciteit hij daarvoor beschikbaar moet stellen. Vakkennis is dus heel belangrijk.”
Waterreus constateert dat een aantal grote risicodragers zich met name uit die co-assurantiemarkt terugtrekken. “Vanuit bedrijfseconomisch perspectief valt dat wel te begrijpen, want de resultaten zijn marginaal tot slecht. Maar ik vind het een slechte zaak. Want je ziet nu gebeuren dat grote bedrijven het zelf gaan oplossen door het oprichten van captives of groepscaptives. Op die manier ontstaat er een andere vorm van solidariteit tussen klanten en verzekeraars. En ik denk dat het mogelijk moet zijn om die risico’s op een verantwoorde manier in Nederland te verzekeren. En nogmaals, als je daar gespecialiseerde mensen voor hebt die je goed betaalt en die zich in de materie verdiepen, dan kun je daar best geld in verdienen. Je zou dan wel moeten meetekenen met een verantwoord aandeel, zodat het de balans in je portefeuille niet verstoort.”
Consortium
Waterreus vindt dat op die manier de co-assurantiemarkt tegelijk ondersteund kan worden. “Als je voor een groot concern de pensioencontracten, de ziektekosten en de auto’s regelt, dan kun je vervolgens zeggen dat het voor de echt grote risico’s naar de beurs moet gaan en dat je daar als verzekeraar ook voor een deel in meedoet. Op die manier hou je die grote risico’s in Nederland, waar men bekend is met de cultuur, de voorwaarden en de schadeafhandeling. Ik vind dus dat men zich niet moet terugtrekken uit co-assurantie. Nee, de grote in Nederland werkzame risicodragers zouden zich moeten verenigen in een consortium. Daar stoppen zij allemaal een stukje capaciteit in en zetten daar de beste branchespecialisten neer, die aan de hand van professionele normen steun aan die markt geven. Als een makelaar of cliënt niet aan die normen wil voldoen, dan zeg je ‘nee’. Maar je hebt dan wel een oplossing geboden. Je gaat niet achteruitlopen en zeggen: ‘ik doe het niet meer’. Je moet bereid zijn om in deze specialisten te investeren en daar heb je het onderwijs weer voor nodig.”
Waterreus vindt dat er zeker nu in de co-assurantie geld valt te verdienen. “Mensen roepen dat er geen cent aan te verdienen valt. Nou, dan moet je zorgen dat er wel geld te verdienen valt. En dat is zeker nu de premies zich verdubbelen en de markt zich verhardt, een goed moment om die co-assurantie gezamenlijk op te pakken. Ik vraag mij oprecht af waarom die grote risicodragers dat niet doen. Het is toch ook in hun belang om grote Nederlandse bedrijven in Nederland te verzekeren? Het biedt tegelijkertijd de mogelijkheid om de voor jou interessante risico’s, zoals pensioen en aov, van dat bedrijf naar je toe te halen.”
Waterreus is een voorstander van wat hij noemt “spreiding aan de voorkant”. Het aan de achterkant oplossen door middel van facultatief herverzekeren vindt hij geen optie. “Herverzekeraars kennen hun eindklanten niet.”
Als voorbeeld noemt hij het millennium-debacle. “Iedereen had de mond vol van wat er allemaal fout kon gaan. Er werd een millenniumpool opgericht om de ergste schade te kunnen dekken. En wat zag je. De grote bedrijven hadden het allang voor elkaar en kregen als dank te horen dat er een uitsluiting gold. Posten werden overgesloten. ‘Segmenteren’, hebben Henk van Calcar (Erasmus, red.) en ik toen geroepen. Van Calcar moest vervolgens vertrekken uit het sectorbestuur. Ik werd op het matje geroepen. En achteraf…..de contracten zijn verschoven, de makelaars hadden veel extra werk, verzekeraars waren de risico’s kwijt die ze op een andere manier weer moesten binnen halen, waardoor de concurrentie toenam en de saamhorigheid afnam. En er is niets gebeurd. Dat was wel één van de oorzaken van het teruglopen van de resultaten.”
Opzeggen
De ontwikkeling dat verzekeraars voortijdig de brandpolissen opzeggen, vindt Waterreus eveneens een verkeerd signaal. “Als er een aantoonbaar gebrek is aan dekkingscapaciteit dan kan je een polis beëindigen. Maar je kan niet tussentijds zeggen: ‘ik heb me vergist, dus nu zeg ik de polis op’. Die keus heeft de klant ook niet. Verzekeraars moeten het contract gewoon uitdienen. Als blijkt dat je je vergist hebt, dan moet je dat in de toekomst bijsturen en niet acuut opzeggen.”
Preventie is in dit kader ook zeer belangrijk vindt Waterreus. “Als voorzitter van de vereniging van transportverzekeraars (1991-1995, red.) heb ik mij ingezet voor het beperken van de schadelast door preventie. Klanten die aantoonbaar hun schadelast wisten te beperken, konden in aanmerking komen voor de Preventieprijs. Die is in mijn tijd drie keer uitgereikt. Toen ik wegging zijn ze er mee gestopt. Doodzonde.”
Het is duidelijk dat Waterreus de co-assurantie een warm hart toedraagt, maar het hoeft wat hem betreft niet per se op de beursvloer plaats te vinden. “Het kan ook via extranetten.” Toch pleit hij voor het behoud van een fysieke ontmoetingsplaats. “Voor mijn part een koffieruimte, maar je moet elkaar kunnen ontmoeten. Alleen al om te weten met wie je zaken doet. Vertrouwen, daar draait het om.”
Rode draad
De rode draad in het hele verhaal van Waterreus over de grote en specifieke risico’s is vakkennis en het ontbreken daarvan. Waterreus is in zijn verzekeringsjaren zeer actief geweest in het assurantieonderwijs en ook nu nog zou hij voor de klas niet misstaan. Hij hamert op de specialistische branchekennis die nodig is om risico’s te kunnen accepteren. Hij is dan ook absoluut niet te spreken over de ontwikkelingen die op dit moment gaande zijn in het assurantieonderwijs.
“Het besluit van Nibe-SVV om de regiokantoren te sluiten, is slecht. De Federatie van Assurantieclubs besluit om weer zelf opleidingen te gaan verzorgen, waardoor er een versnippering van het onderwijs kan ontstaan. Dat is geen goede ontwikkeling.”
Als hem gevraagd wordt naar zijn ideaalbeeld van het assurantieonderwijs, gaat hij er echt even voor zitten. Waterreus vindt het belangrijk dat het onderwijs vanuit de markt wordt benaderd en niet vanuit het bedrijf. “Dan hoor ik iemand van een verzekeraar roepen dat ze de mensen zelf wel opleiden. Niet veel later werkt diezelfde man bij een makelaar. We moeten dus af van dat enge, het bij jezelf willen houden.”
Waterreus is een warm voorstander van een nationaal opleidingsinstituut, dat naast het opleiden voor de vestigingsdiploma’s, ook aandacht besteedt aan specifieke brancheopleidingen. Nibe-SVV zou die rol moeten vervullen. Dat het studeren voor de vestigingsdiploma’s schriftelijk gaat met behulp van moderne elektronica, daar kan hij nog mee leven. “Maar vanuit het nationale opleidingsinstituut moeten de branchespecifieke opleidingen decentraal worden aangeboden. De branchespecialismen trekken nu eenmaal minder studenten, maar door het regionaal te organiseren breng je het dichterbij de mensen. Dat mag overigens best wel wat geld kosten.” En het moet mondeling, vindt Waterreus. “Op die manier leren mensen ook communiceren. Zij moeten zo’n schip op of een fabriek in om de risico’s te inventariseren. Daar horen goede sociale vaardigheden bij.”
De assurantieclubs hebben altijd een grote rol gespeeld in het mondeling onderwijs. Maar van de koppeling tussen het lidmaatschap van een assurantieclub en het kunnen volgen van een opleiding is Waterreus nooit een liefhebber geweest. Dat nu de assurantieclubs weer een grotere rol in opleidingen gaan krijgen, vindt hij geen goede ontwikkeling. “We hadden het bij de SVV zo goed voor elkaar, en nu gaan we weer terug naar af. Het dreigt te versnipperen. Assurantieclubs moeten nu zeker weer cursisten gaan inschrijven, in plaats van zich bezig te houden met hun kerntaak, namelijk het organiseren van het netwerk, de lezingen en de seminars.”
Cursusfabriek
“Nibe-SVV is een cursusfabriek geworden. Door het sluiten van de regiokantoren, raak je als opleidingsinstituut de antennefunctie kwijt. Vroeger liepen die regiomanagers rond op bijeenkomsten. Ze hoorden wat er speelde en konden daar de opleidingen op afstemmen. Dat ben je nu kwijt. Nu komen ze alleen op afroep opdraven.”
“De bankgedachte is gaan overheersen.” Waterreus bedoelt daarmee dat Nibe alle standaardmodules op de plank had liggen. Die kon je afnemen, je deed examen en klaar. “Dat is leuk voor de massa, maar niet voor specialisten. SVV was veel meer gespecialiseerd en gaf mondeling onderwijs. Dat zie ik nu enorm verwateren.”
Is de fusie tussen Nibe en SVV dan toch niet goed van de grond gekomen?
Waterreus komt weer bij zijn stokpaardje uit. “Het is begrijpelijk dat de grote financiers, de bankverzekeraars, gezegd hebben dat beide instituten wel samen konden. Voor de massa die de standaardproducten afneemt, is dat te doen. Maar het specialisme sneeuwt daarbij onder. Die specialistische vakkennis heb je nodig bij het kunnen afgeven van een goede dekking voor speciale risico’s. Ik blijf erop hameren. Je hebt als verzekeraar nu eenmaal een economische functie. Als de verzekeringsbranche een dag zou staken, gebeurt er niets meer in de wereld. We hebben het net weer gezien bij de vliegtuigen. De risico’s zijn niet in voldoende mate gedekt, dus de vliegtuigen blijven aan de grond staan. Een bakker moet brood bakken en een verzekeraar moet verzekeren. Daar heb je mensen voor nodig die dan ook een goede opleiding moeten krijgen.”
Waterreus vindt dat de bedrijfstak eisen kan stellen aan het onderwijs en ook de input moet leveren.” Volgens hem had het nationaal opleidingsinstituut nog een doel, namelijk het kritisch kijken naar bekwame docenten. “Er zou een docentendatabase ingericht worden, waarin gezocht kon worden naar de meest bekwame docent voor die cursus. Die docenten zouden het land in moeten trekken. Daar zie ik niets van.”
Verder vindt Waterreus dat bij het topmanagement in verzekeringsland te weinig vakinhoudelijke kennis aanwezig is. “Er zitten mensen in de raad van bestuur van allerlei pluimage. ICT’ers, P&O’ers, maar nog zelden iemand die de schadeverzekeringstechniek beheerst. Dat zou binnen zo’n team wel moeten. Hij moet op hetzelfde niveau mee kunnen praten en beslissen. De top van het bedrijf moet tenslotte de werkvloer ondersteunen. Dan moet je ook weten wat er speelt en moet je verstand van zaken hebben. Dat zie ik te weinig. Ik hoor mensen wel eens zeggen dat ze niet gehinderd worden door vakkennis. Het wordt dan wat lacherig gezegd, maar met een ondertoon van ernst. Ik vind dat een zorgelijke ontwikkeling en wellicht is dat een oorzaak van de magere resultaten binnen de schadebranche.” Kader
Joop Waterreus (65) is na zijn middelbare schoolopleiding begonnen op de Rotterdamse beurs bij gevolmachtigd agent A.C.Fraser&Co, gespecialiseerd in brand- en transportverzekeringen. Via avondstudies heeft hij zich het verzekeringsvak eigen gemaakt. De laatste 25 jaar in de branche heeft hij voornamelijk managementfuncties vervuld, onder meer bij ABN Amro in Zwolle. Daarna was hij ruim tien jaar directeur van Tollenaar & Wegener en Interlloyd Verzekeringen, onderdeel van de Hudig Langeveldt Groep (nu Aon). Toen Interlloyd werd verkocht aan Amev is Waterreus er mee gestopt. “De functie die ik moest vervullen, was wel erg uitgehold.” Een jaar geleden nam hij afscheid als voorzitter van de VNAB (Vereniging Nederlandse Assurantie Beurs). Tijdens zijn werkzame leven in de bedrijfstak vervulde hij diverse bestuurlijke functies, onder meer bij het Verbond van Verzekeraars. “Ik geniet van besturen en organiseren.” Sindsdien verdeelt hij zijn tijd over ‘klussen voor de verzekeringsbranche’, commissariaten en diverse functies voor de Atletiekunie en NOC*NSF. Voor het organiseren van de marathon van Amsterdam, zoals hij afgelopen maand deed, draait hij zijn hand niet om.
Joop Waterreus: “Er zit in de raad van bestuur van verzekeraars nog zelden iemand die de schadeverzekeringstechniek beheerst. En dat zou binnen zo’n team toch wel moeten”.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.