nieuws

Waarborgfonds is geen Sinterklaas

Archief

Het Waarborgfonds Motorverkeer staat voor enkele belangrijke veranderingen: de komende twee jaar moet de vierde Europese WAM-richtlijn in Nederland vorm gegeven worden en als het aan de overheid ligt, wordt de zelfstandigheid van het Waarborgfonds door de invoering van een kaderwet binnenkort behoorlijk beperkt. Directeur Frits Blees is echter vast van plan de overheid op afstand te houden. “Wij willen zeker weten dat we op onze manier kunnen blijven werken, anders hebben we een probleem.”

door Rob van de Laar
Frits Blees is niet alleen directeur van het Waarborgfonds Motorverkeer, maar ook algemeen secretaris van het Nederlands Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars, door Blees kortweg ‘het Bureau’ genoemd. Sinds 1998 huizen beide organisaties aan de Verrijn Stuartlaan in Rijswijk, onder één dak met Rialto, verzekeraar van zware risico’s.
Het Waarborgfonds is in 1965 opgericht, toen de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) van kracht werd. “Eigenlijk is er tot 1989 niets veranderd”, zegt Blees. “Er zijn nog steeds vijf categorieën ongevallen waarvoor we aansprakelijk zijn: de doorrijder, de onverzekerde, schade die door een gestolen auto is toegebracht, de verzekeringsmaatschappijen in staat van insolventie en de gemoedsbezwaarden”.
In 1989 is het Waarborgfonds geprivatiseerd. Er is toen een stichting opgericht, in het bestuur waarvan twee categorieën vertegenwoordigd zijn: de verzekeraars en de weggebruikers.
Kaderwet
In het laatste jaarverslag pleit het Waarborgfonds uitvoerig tegen de invoering van de Kaderwet Zelfstandige Bestuursorganen (zbo’s). Deze conceptwet, die nog door de Tweede Kamer goedgekeurd moet worden, heeft als belangrijkste wijziging een verscherping van het toezicht op zbo’s die als privaatrechtelijke organisatie een wet uitvoeren. Het Waarborgfonds ziet dat niet zitten. Blees: “De overheid wil meer grip hebben op die hele grote groep van zbo’s, waarvan de overheid vindt dat er in de loop der jaren behoorlijk wat wildgroei in is ontstaan. Dat heeft invloed gehad op de beheersingsmogelijkheden. Er zijn incidenten geweest waardoor de overheid de indruk heeft gekregen dat het een zootje is. En of je op incidenten moet reageren met een generieke maatregel, dat lijkt me al de vraag. Je moet niet vergeten dat het Waarborgfonds voor 99% of meer wordt gefinancierd uit de premiepot van de verzekeraars, die ook in het bestuur zitten, terwijl diegenen die aanspraak maken op het Waarborgfonds ook in het bestuur zitten. Iedereen die erbij betrokken is, zit al in het bestuur en kijkt ons al op de vingers.”
De Kaderwet is een raamwet, wat betekent dat de praktische consequenties in de WAM zelf nader bepaald moeten gaan worden. Daar wil Blees zelf de hand in hebben.”Wij willen de ruimte om onze zaken op een goede manier te regelen. Wij zijn in de loop der tijd efficiënter geworden: we handelen meer claims af met minder mensen, dus waarom zou je dan ingrijpen in beslissingen op dossierniveau? Daar hebben we andere kanalen voor, zoals de Ombudsman Verzekeringen. We moeten vooral afspraken gaan maken over ingrijpen van de overheid in beslissingen op beleidsniveau. Wij willen zeker weten dat we op onze manier kunnen blijven werken, anders hebben we toch echt een probleem.”
Nederlands Bureau
Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars – waarvan alle in Nederland toegelaten motorrijtuigverzekeraars verplicht lid zijn – is al in 1953 opgericht. Het houdt zich bezig met de uitvoering van het groene-kaartsysteem. “Het Nederlands Bureau is eigenlijk een productiebedrijfje. Aan de ene kant moet ervoor worden gezorgd dat schades van buitenlanders netjes worden afgehandeld en aan de andere kant moet ervoor worden gezorgd dat Nederlandse verzekeraars de consequenties dragen van aanrijdingen die Nederlanders in het buitenland veroorzaken.”
De kerntaak van het bureau is informatievoorziening, naast de behandeling van dossiers van aanrijdingen die veroorzaakt zijn door buitenlanders.Het bureau was met zo’n acht medewerkers nogal kwetsbaar. Het was moeilijk om de kennis binnen de organisatie op peil te houden. Daarom is er in 1994 voor gekozen om het bureau en het Waarborgfonds in één gebouw onder te brengen. “Wij delen alles behalve de primaire processen, net als Rialto, dat ook in dit gebouw is gevestigd.” Mensen kunnen als zij dat willen eenvoudig overstappen van de ene naar de andere organisatie. “We werken eraan dat men ook naar Rialto zou kunnen overstappen en omgekeerd.”
Op deze manier kan het Waarborgfonds het personeel meer carrièreperspectieven bieden. “Het blijft een platte organisatie. Als je interessant werk wilt brengen, moet je dat in de breedte aanbieden. Wij bieden opleidingen en trainingen aan, ook als die verder gaan dan voor de directe uitoefening van de functie nodig is.”
Jullie leiden de medewerkers dus eigenlijk op voor een carrière buiten het Waarborgfonds?
“In de eerste plaats is extra vakkennis altijd goed voor de uitoefening van de functie, maar bovendien moet je je afvragen of je er iets aan hebt om iemand van 25 binnen te halen en ernaar te streven dat hij er op zijn 62e nog zit. Als iemand niet weg wil, is dat prima, maar als iemand niet weg kan, is dat doodzonde. Bovendien hebben we vrij weinig moeite om personeel aan te trekken.”
In het jaarverslag wordt anders het tegenovergestelde beweerd.
“De problemen die we hebben om personeel aan te trekken, gelden vooral voor de startfuncties. Voor de hogere functies zijn wij een aantrekkelijke organisatie. Over die onderbezetting: in het jaarverslag hebben we de recente ervaringen meegenomen van 2001. Vorig jaar was er sprake van een krappe markt, maar daar had iedereen mee te maken. Dit jaar zijn we bezig geweest met de invoering van een nieuw computersysteem. Daarbij hebben we veel mensen van de werkvloer betrokken. Daardoor is er druk ontstaan op de organisatie en zijn de doorlooptijden iets omhoog gegaan. Voor een doorlooptijd van 32 tot 35 kalenderdagen per dossier hoeven wij ons overigens niet te schamen.”
Complexe dossiers
De afhandeltijd van een dossier kan echter nog verkort worden. Volgens Blees is de lange doorlooptijd voornamelijk te wijten aan externe factoren. “De complexiteit van onze dossiers wordt vooral veroorzaakt door de vertraging die de zaak al heeft opgelopen als die bij ons terecht komt. Pas na maanden komen wij in beeld.” Vooral politierapporten kunnen nogal eens op zich laten wachten. Blees kan zich dat echter wel voorstellen. “Ik verwijt de politie niets. Er zijn vaak wel belangrijker zaken waar men zich mee bezig moet houden.”
Doordat veel zaken al maanden spelen als het Waarborgfonds eraan te pas komt, is het lastiger om dan met het slachtoffer te praten. “Er is vaak al een zekere mate van onvrede ontstaan. Dan is er ook al een belangenbehartiger aangesteld.”
Om de doorlooptijden toch te kunnen verkorten, is het Waarborgfonds begonnen om, waar mogelijk, zaken telefonisch af te handelen. “Daarbij gaat het om dossiers met een beperkt schadebedrag. Het is niet de bedoeling om slachtoffers onder druk te zetten. Een snelle afhandeling is ook in hun belang, bijvoorbeeld als er sprake is van weinig of tijdelijke arbeidsongeschiktheid”. Of de nieuwe manier van schadebehandeling al vruchten heeft afgeworpen, kan Blees nog niet zeggen. “Daarvoor zijn we er nog te kort mee bezig.”
Cijfers 2001
Wel kan Blees al een tipje van de sluier oplichten over 2001. “We komen naar schatting uit op 2 à 3 procent meer dossiers, zo’n 58.000. Het totale uitkeringsbedrag zal zo’n ( 115 miljoen bedragen. Dan heb ik het over de betaalde schade en niet over de schadelast. Die kan pas in 2002 worden vastgesteld. Daarnaast verwacht ik door de eerder genoemde ontwikkelingen een grotere achterstand in de afhandeling van dossiers.”
De jaarlijkse bijdrage die verzekeraars per motorvoertuig aan het Waarborgfonds betalen, gaat in 2002 voor het eerst sinds 1990 omlaag. Hoe komt dat?
“Volgens de voorschriften werken wij op kasbasis. Wij halen binnen wat we denken uit te gaan keren. Nu hebben wij voor 2002 een onttrekking gedaan aan de beleggingen; de reserve die we op dat gebied hebben opgebouwd, kan wel iets omlaag. Ik heb het niet over het vermogen. Het Waarborgfonds heeft zelfs een negatief vermogen, dat overigens wordt opgeheven door de vorderingen die wij hebben op de Staat en de verzekeraars. Door die onttrekking aan de liquide middelen, kan de bijdrage voor 2002 omlaag.”
Wegmeubilair
Nederland is met Zweden het enige land waar materiële schade door onbekenden wordt vergoed. Blees vindt dat er maar eens goed over nagedacht moet worden of het Waarborgfonds die kosten nog moet blijven vergoeden. “Dat geldt vooral voor de schade aan het wegmeubilair. Ik snap best dat de overheid er belang bij heeft dat de dekking in stand blijft. In veel gevallen is de overheid de schadelijdende partij als bijvoorbeeld een vangrail wordt beschadigd. Maar ik heb er altijd wat moeite mee om de overheid in de rol van slachtoffer te zien. Het is niet die arme meneer Jansen die het niet kan betalen. Het geeft te denken dat verder alleen Zweden dergelijke schade vergoedt. Met hen zijn we het enige land dat zo gul is. Het risico dat schade ontstaat aan een vangrail is heel groot. Toch is dat verzekerd via het Waarborgfonds.”
Aan die gulheid is niet zo makkelijk iets te veranderen. Op Europees niveau is vastgelegd wat een waarborgfonds moet vergoeden: letselschade en blikschade door onverzekerden. “Er is geen verplichting tot vergoeding van materiële schade door een onbekende en ook wegmeubilair hoeft volgens de EU niet vergoed te worden. Maar die schade is in de Nederlandse wet niet uitgesloten. Willen we die schade niet meer dekken, dan moet dat in de wet worden opgenomen”, zegt Blees.
Vierde WAM-richtlijn
Het Waarborgfonds speelt een belangrijke rol in de vierde Europese WAM-richtlijn. Deze richtlijn is opgesteld ter bescherming van slachtoffers van aanrijdingen in de Europese Unie. Blees legt de bedoeling van de richtlijn uit. “Het is het spiegelbeeld van de groene-kaartsituatie. Als een Nederlander in Duitsland door een Duitser wordt aangereden, dan kan hij terug in ons land de maatschappij aanspreken via de schadevertegenwoordiger van de Duitse verzekeraar. Er is volgens de richtlijn in elk land een informatiecentrum nodig dat vertelt wat je moet doen om je schade te verhalen.” Verder moet een schadevergoedingsorgaan in werking worden gesteld wanneer de verzekeraar in het land van het slachtoffer geen vertegenwoordiger heeft of niet vlot genoeg reageert. Het Waarborgfonds zal worden aangewezen om de rol van schadevergoedingsorgaan op zich te nemen. Het Nederlands Bureau wordt waarschijnlijk het informatiecentrum waartoe het slachtoffer zich kan wenden.
Wie nu denkt dat ook aanrijdingen door een onbekende in het buitenland voortaan prima via het Waarborgfonds geregeld kunnen worden, komt echter bedrogen uit. Blees: “Het schadevergoedingsorgaan moet te werk gaan volgens de regels van het land van aanrijding. En alleen Nederland kent de regeling dat schade toegebracht door een onbekende vergoed wordt. Wanneer een Nederlander in België wordt aangereden door een Belg die zich uit de voeten heeft gemaakt, zegt het Nederlandse schadevergoedingsorgaan: ‘jammer’, want de aanrijding heeft over de grens plaatsgevonden. Voor buitenlanders die in ons land te maken krijgen met een parkeerschade, wordt het een ander verhaal. Zij kunnen via hun eigen schadevergoedingsorgaan een vergoeding krijgen. De verschillen tussen de waarborgfondsen worden hiermee heel duidelijk”.
De kleine schadeverzekeraar zou op termijn wel eens moeite kunnen hebben om aan de eisen van de vierde richtlijn te voldoen. “Elke verzekeraar moet een vertegenwoordiger hebben in elke EU-lidstaat. Voor grote verzekeraars is dat niet zo’n probleem; die hebben al vertegenwoordigers in de vorm van schaderegelingsbureaus. Maar de kleinere verzekeraars moeten nu vertegenwoordigers gaan benoemen en de kans bestaat dat zij daar niet in elk land in slagen. Zij kunnen dan in het uiterste geval hun vergunning kwijtraken. Dat gaat dus heel ver.”
Blees is met de internationale verzekeraarsorganisatie, het Comité Européen des Assurances (CEA), bezig de richtlijn praktisch uitvoerbaar te maken. “Ik vind het geen sterke tekst. Het is een rommelige richtlijn. Er komen vragen uit voort waar niemand nog een antwoord op weet. Met het CEA in Parijs zitten we aan tafel om een overeenkomst met schadevergoedingsorganen in elkaar te draaien. We kijken ook naar de consequenties voor het groene-kaartsysteem. Maar ook daar ontdekken we nog steeds onduidelijkheden in de richtlijn.” De lidstaten van de EU moeten de richtlijn voor 1 januari 2003 in de nationale wetgeving opnemen.
Bewijslast
Blees merkt dat tussenpersonen bij schade veroorzaakt door onbekenden nog wel eens de bewijslast in de richting van het Waarborgfonds willen schuiven. “De bulk van de claims die wij verwerken, betreft schade door een onbekende. Er moet dan bewezen worden dat de schade is veroorzaakt door een motorrijtuig. Maar wij kunnen die bewijslast niet overnemen. Je moet een getuige hebben die kan bevestigen dat er een aanrijding heeft plaatsgevonden. We maken soms de indruk lastig te zijn, maar we moeten oppassen dat het afhandelen van claims niet op willekeur uitdraait. Zo doen wij ook niet aan coulancebetalingen. Als we de overtuiging niet hebben dat een ander aansprakelijk is voor de schade, keren we niet uit.”
“Je moet als slachtoffer je best doen om de veroorzaker te achterhalen. Zo kun je bij een parkeerschade bijvoorbeeld een karton hangen om een lantaarnpaal met de vraag wie de aanrijding gezien heeft. Ook staan er geregeld advertenties in de Kampioen met oproepen aan getuigen. Ik zeg altijd: je moet doen wat een goed huisvader ook doet. Wat zou je doen als je het zelf moest betalen? Je kunt pas iets afwentelen op de gemeenschap als je er je best voor doet.”
Frits Blees (48) studeerde Rechten in Leiden. Na zijn afstuderen in 1977 ging hij als advocaat aan de slag. “Ik dacht dat ik advocaat wilde worden, maar na twee jaar concludeerde ik dat ik alleen maar van dossier naar dossier werkte.”
In 1979 trad Blees als jurist in dienst van het Verbond van Verzekeraars. Tot 1984 hield hij zich onder meer bezig met de Wabb en de WTV. Daarna werd hij secretaris van eerst de vereniging van aansprakelijkheidsverzekeraars AAV en later de Nederlandse Vereniging van Automobielassuradeuren. Na de samenvoeging van het Waarborgfonds en het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars in 1994 werd Blees directeur van het Waarborgfonds. Daarnaast is hij algemeen secretaris van het Nederlands Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars.
Frits Blees: “Als we niet de overtuiging hebben dat een ander aansprakelijk is voor de schade, keren we niet uit”.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.