nieuws

Voorzitter STFD: ‘Kiem wet ligt in branche zelf’

Archief

Zijn benoeming als voorzitter van de Stichting Financiële Dienstverlening (STFD) wekte her en der wel wat verwondering. Arie Kraaijeveld, voormalig voorzitter van de werkgeversorganisatie FME-CWM (Metaal- en elektrotechnische industrie), kreeg de opdracht om vergunningaanvragen WFD te begeleiden. “Betere bescherming van de consument door nieuwe wetgeving is terecht een doorlopend proces in onze maatschappij”, zegt hij. “Goede regelgeving is onmisbaar. Als je weet wat ik indertijd als student chemie door de gootsteen spoelde, zeg je ook: wat een viezerik was dat.”

Door Dick Spelt
Waarom wordt een ervaren werkgeversvoorman zonder ervaring in het verzekeringsbedrijf voorzitter van een stichting die bij financiële dienstverleners de WFD-eisen moet toetsen?
“Dat is niet zo onlogisch als het lijkt”, zegt Kraaijeveld. “Het was in dit verband waarschijnlijk belangrijk dat ik niet uit de branche afkomstig ben en geen speciale band heb met een van de organisaties die in de stichting zijn vertegenwoordigd. Ook verder heb ik geen banden met verzekeraars, banken of tussenpersonen. Andere zaken die, volgens zeggen een rol hebben gespeeld bij de keuze, zijn mijn bestuurlijke ervaring met moeilijke dossiers en mijn contacten met de rijksoverheid.”
Kraaijeveld beschikt over een zeer uitgebreide ervaring als stichtingsvoorzitter of adviseur. “Het is al tijdens mijn studietijd begonnen. Ik wil niet zeggen dat ik aan klus nummer tweehonderd toe ben, zoals iemand eens beweerde, maar het zijn er wel veel geweest. Het voordeel is dat je door vroegere ervaringen problemen beter herkent en soms terug kunt grijpen naar oplossingen die in het verleden bleken te werken. Uit mijn studie chemie weet ik nog dat de goede oplossing er altijd uit komt rollen als je de juiste samenstelling van de ingrediënten maar kent.”
Voorportaal
De opdracht waarmee Kraaijeveld aan de slag ging, was eigenlijk niet zo ingewikkeld, zegt hij. “Voordat in januari 2006 de WFD van kracht werd, was er al afgesproken dat de STFD een voorportaal zou zijn voor vergunninghouders om de kwaliteit van hun dienstverlening naar een hoger plan te brengen. Hoewel de opdracht betrekkelijk eenvoudig klonk, bleek de doelstelling nog niet zo gemakkelijk te realiseren”, zegt Kraaijeveld.
De eerste stap was de aanvraag voor de WFD-vergunning zelf. “Daarvoor moesten duizenden tussenpersonen weten waar ze moesten zijn en welk van de twee wegen – AFM of STFD – ze moesten kiezen. Er was heel veel voorlichting nodig om hun duidelijk te maken hoe ze hun keus moesten bepalen”, zegt hij
Van de totale markt van intermediaire bedrijven hebben zich inmiddels ongeveer 11.000 tussenpersonen gemeld, van wie 2.000 direct bij de AFM en een kleine 9.000 bij de STFD. De ‘klanten’ van de STFD krijgen met behulp van een zogenaamde zelftoets de gelegenheid om de kwaliteit van hun bedrijf op te vijzelen, en zo gemakkelijker te kunnen voldoen aan het door de AFM verlangde niveau. Van de circa 9.000 uitgezette zelftoetsen zijn er door de stichting inmiddels 7.000 weer retour ontvangen. De STFD verwacht eind januari 2007 het hele proces te hebben afgerond.
Foto van het eigen bedrijf
“De ondernemer moet op deze manier als het ware een foto nemen van zijn eigen bedrijf”, zegt hij. “Letterlijk een momentopname. Ik vergelijk het altijd met een analyse in de chemie. Om zo’n financiële dienstverlener door te meten, hebben wij een self-assessment- softwareprogramma ontwikkeld. Aan het eind van dit jaar is elke tussenpersoon die een vergunning heeft aangevraagd, wel een keertje door de molen gegaan.”
Een probleem is wel dat je er op moet vertrouwen dat de aanvragers de waarheid spreken, zegt hij. “Het zelfonderzoek lijkt in die zin een beetje op de softe benadering in de jaren tachtig, toen mensen zichzelf een rapportcijfer mocht geven. Als een tussenpersoon op alle vragen een positief antwoord heeft, zullen wij uiteraard geen commentaar hebben, maar de grote vraag is natuurlijk: ‘is het allemaal waar wat u schrijft?’
Steekproef
Het moment van de waarheid is de voor 2007 aangekondigde steekproef van de AFM, zegt hij. “Op dat moment is de tussenpersoon die ten onrechte heeft aangegeven dat hij alles spic en span heeft geregeld natuurlijk het haasje. Financiële dienstverleners die de zelftoets eerlijk invullen en hun zwakke punten toegeven, krijgen van ons uiteraard een signaal terug. Bijvoorbeeld: u dient zich te verbeteren op de punten 1, 6 en 8. In die zin is het eigenlijk nog hetzelfde als in de tijd dat ik leraar was. Een proefwerk diende ervoor om iemand duidelijk te maken op welke punten hij zich nog moest verbeteren. Nadat wij de hiaten hebben gesignaleerd, is het vervolgens de eigen verantwoordelijkheid van het intermediair om de verbeteringen aan te brengen.”
Uitspraken over het niveau van de aanvragers wil Kraaijeveld nog niet doen. “Daar is het op dit moment nog te vroeg voor. De kernvraag is: hoe is het met de ‘leerling’ op dit moment? Moet de kennis alleen op onderdelen een beetje worden bijgespijkerd of is het eigenlijk alleen maar kommer en kwel? Wel, dat laatste beeld heb ik absoluut niet.”
Kwaliteitsbevordering
“Het grote voordeel van de zelftoetsen is dat deze procedure op zichzelf al tot een selectie heeft geleid”, zegt hij. “Van de 13.000 intermediaire bedrijven hebben zich zo’n 2.000 kantoren gewoon niet gemeld. Zij konden of wilden kennelijk niet aan de WFD voldoen, en zijn waarschijnlijk gewoon gestopt, of hebben hun portefeuille verkocht. Met andere woorden: deze procedure heeft op zich al een kwaliteitsbevorderend effect gehad. Er moet uiteraard nog het nodige worden bijgespijkerd. Maar volgend jaar komt er ook nog een ronde in het self-assessment, zodat ook de resterende problemen kunnen worden opgelost.”
Gemakkelijk was de procedure zeker niet, vindt Kraaijeveld. Twee problemen springen er wat hem betreft uit. Het eerste punt betreft het verschil tussen aanmelden en aansluiten. Sommige intermediairs hebben zich aangesloten bij de STFD, anderen zijn via de stichting naar de AFM gegaan en weer andere meldden zich wel, maar gingen uiteindelijk toch weer door naar de AFM. “Daardoor is de registratie vooral logistiek een ingewikkelde zaak geworden”, vindt hij.
Het tweede probleem bestaat uit de grote groep financiële dienstverleners waaraan iets ‘mankeert’. Hierdoor wordt de administratieve verwerking ingewikkeld, legt hij uit. “Soms is het adres verkeerd, en een andere keer ontbreekt het nummer van de Kamer van Koophandel. Kortom, we hadden te maken met een grote groep aanvragers die niet op de gewone manier konden worden verwerkt en waarbij de verwerking in feite met de hand moest gebeuren. Zoiets blijkt dan plotseling heel veel tijd te kosten.”
Toekomst
De rol van de STFD in de nabije toekomst is redelijk duidelijk, zegt hij. “Zoals gezegd komt er een tweede ronde in het zelftoetsproces. Verder moeten er nog verbeteringen worden aangebracht in het softwareprogramma voor de zelftoets. Ik denk dat we volgend jaar om deze tijd een heel stuk verder zijn in dit proces”, aldus Kraaijeveld.
Wat de langere termijn betreft, is het een beetje koffiedik kijken, vindt hij. “Al durf ik de voorspelling aan dat wij over een jaar of twee wel ongeveer klaar zullen zijn. De grote vraag is natuurlijk of de Wet Financieel Toezicht (WFT) zo zal blijven als hij is, of dat er veel veranderingen zullen worden doorgevoerd. Ik denk overigens dat we er wel vanuit kunnen gaan dat er nog meer mutaties komen.”
In elk geval zal de toekomst van de STFD worden beïnvloed door deze wet die 1 januari 2007 van kracht wordt, verwacht hij. Ook de uitvoering van toetsen voor verschillende categorieën zou naar zijn mening in de toekomst tot de taak van de stichting kunnen gaan behoren. “Zelfregulering zal in de toekomst, denk ik, nog tot diverse nieuwe acties en ontwikkelingen leiden. Alleen kan de stichting daarbij niet de aanjager zijn. Die taak ligt bij intermediaire organisaties. Daarom is ook absoluut niet te voorspellen hoe het takenpakket van de stichting er over vijf jaar uit zal zien. De STFD heeft te maken met acht broodheren die per slot van rekening elk hun opvattingen kunnen uitspreken over een bepaalde ontwikkeling of een nieuwe taak.”
Naïef idee
Hoewel Kraaijeveld in de verzekeringsbranche veel overeenkomsten ziet met andere sectoren waarin hij werkzaam was, is het hem opgevallen dat veel ondernemers een beetje naïef idee over de taken van de wetgever hebben. “In feite is er ook hier niets nieuws onder de zon. Een sector die lange tijd eigenlijk de vrije ruimte heeft gehad, krijgt nu met nieuwe wetgeving te maken.”
“Het valt mij op dat ondernemers, overigens zeker niet alleen in deze sector, geen beeld meer hebben van de achtergrond van bepaalde maatregelen. Zij herkennen niet meer dat bepaalde maatregelen simpelweg de uitvoering van een wet zijn en dat deze niet zomaar in de hersenen van een minister en zijn ambtenaren zijn ontstaan. Als sector ben je niet alleen doelwit van een wet, maar meestal ook ‘veroorzaker’.”
“Iedereen in deze sector was ook op de hoogte van het feit dat er vraagtekens zijn bij sommige productvormen, en dat de branche een aantal hete hangijzers kent. De beleggingshypotheek, afsluitprovisie en doorlopende provisie, gebrek aan transparantie. Elke ondernemer kent wel de voorbeelden. In het verleden heb ik al ervaren dat je steevast nieuwe wetgeving krijgt op het moment dat er zaken fout gaan in een branche. Dan krijg je per definitie te maken met een overheid die zegt: ‘Ja hallo, wacht eens. Als het zo gaat, willen we toch in de eerste plaats de consument beschermen’.”
“Met andere woorden. Ik kan absoluut begrijpen dat we in deze branche te maken hebben gekregen met nieuwe wetgeving. Als is het natuurlijk lastig dat dit precies op het moment gebeurt dat de overheid voortdurend roept dat ze het allemaal eenvoudiger gaan maken.”
Dexia-affaire
De branche had ingrijpen door de overheid ook niet kunnen voorkomen, zegt Kraaijeveld.
“De directeuren van de intermediaire organisaties hebben deksels goed gezien hoe de wind zou gaan waaien, en daar ook wel op gereageerd. Maar met lobbyen kom je er in dit geval niet uit. Het besluit was al gevallen.”
“Ik denk ook niet dat het anders was gelopen als de branche eerder had besloten tot zelfregulering. Verstandig is wel dat ze zelf hebben besloten om zo’n self-assessment-procedure op te zetten.
Wat er nu gebeurt, is eigenlijk typerend voor de aanpak van de Nederlandse overheid in een branche, concludeert hij. “In de verzekeringswereld is jarenlang in grote vrijheid geopereerd, maar sommige incidenten, zoals bijvoorbeeld ook de Dexia-affaire, hebben ervoor gezorgd dat de politiek nu ook oprukt in deze branche. Misschien lag in die vrijheid uiteindelijk wel de kiem voor wat er nu gebeurt, en is het in feite de voedingsbodem voor deze wetgeving.”
Arie Kraaijeveld (63) studeerde ooit scheikunde, was docent en later conrector. Hij werkte 25 jaar voor de metaalbond FME-CWM en werd hier in 1998 algemeen directeur en voorzitter. Kraaijeveld, of Crowfield zoals hij zich in het buitenland noemt, bekleedt talloze bestuursfuncties, waaronder die van ambassadeur van Vluchtelingenwerk Nederland. De Nederlandse verenigingsdrift vervult hem zelf soms met milde spot. “Als twee Nederlanders in een oerwoud worden gedropt, besluiten ze na een kwartier praten ongetwijfeld dat het oprichten van een vereniging in hun situatie de beste oplossing is.”
wel een keer door de molen gegaan.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.