nieuws

Verzekeringskamer zint op ingreep in toezicht en concurrentie

Archief

De Verzekeringskamer heeft afgelopen week mogelijke maatregelen geventileerd die de financiële betrouwbaarheid van verzekeringmaatschappijen meer veilig te stellen.

Ten aanzien van het toezichtsbeleid oppert de toezichthouder als mogelijkheden: invoering van standaardmodellen voor winstgevendheidstests; verhoging van de wettelijke solvabiliteitsmarge; toepassing door het intermediair van een kwaliteitsindicatie (rating) voor verzekeraars en ontkoppeling in grotere mate van de intermediairbeloning van de omzet; een garantieregeling voor wankelende verzekeraars in de vorm van portefeuilleoverdracht.
In het kader van het mededingingsbeleid voelt de Verzekeringskamer voor de mogelijkheid dat de overheid in tijden van buitengewone concurrentie tijdelijk bodemprijzen kan afkondigen om een afkoelingsperiode te bewerkstelligen. Daarnaast oppert de toezichthouder het idee dat de bedrijfstak modelcalculaties hanteert voor standaardprodukten, bij wijze van zelfregulering.
Liber amicorum
Deze visie verkondigen A.J. Vermaat en R.C.L. Bakker in hun gezamenlijk artikel in het liber amicorum (boek van vrienden) ‘Heterogeniteit in verzekeringen’, dat prof. G.W. de Wit bij zijn afscheid eind september werd aangeboden. PLT = Vermaat is bestuursvoorzitter van de Verzekeringskamer en Bakker is adjunct-directeur bij de afdeling ‘Onderzoek en advies’ van die instelling. Hun mening mag dus wel aangemerkt worden als die van de Verzekeringskamer. De bijdrage van de twee draagt als titel: ‘Mededinging en toezicht in het verzekeringsbedrijf: een weg tussen concurrentie en zelfregulering?’
Zij maken gewag van een spanning, een onbalans tussen het beoogde mededingingsbeleid voor de Europese markt in het algemeen en het voor de verzekeringsbedrijfstak gekozen normatieve toezicht. De onbalans vindt zijn oorzaak in het verschil van inzicht over de vraag welke mate van concurrentie binnen de verzekeringsbedrijfstak, maatschappelijk gezien, doelmatig is.
Vooral vanuit het standpunt van de toezichthouder motiveren de twee auteurs in deze bijdrage een aantal overwegingen en voorstellen die voornoemde balans kunnen doen verbeteren.
De gemaakte keuze voor een normatief toezicht noopt tot een nadere bezinning op de vraag naar de vormgeving van een adaequaat mededingingsbeleid.
Drie krachten
De toezichthouders onderscheiden drie krachten: de markt, het mededingingsbeleid en het toezichtsbeleid. In een ideale situatie zijn deze drie krachten zodanig op elkaar afgestemd dat er een optimale concurrentie resulteert. Wanneer een van deze drie verandert, kan het optimum slechts opnieuw worden bereikt bij een aanpassing van beide andere krachten, betogen ze.
In de lidstaten van de EU zijn dergelijke verstoringen van het evenwicht tussen die krachten momenteel te verwachten. In de meeste landen betekent de overgang van een materieel naar een normatief toezicht immers een grotere effectieve concurrentieruimte voor de verzekeraars, en dus een grotere kans op onevenwichtigheden in de markt.
“Ook in Nederland is er sprake van een verstoring, zij het dat nu een aangescherpt mededingingsbeleid de oorzaak is. Hierbij is onze stelling van betekenis dat de marktoptimaliteit in Nederland vóór deze verstoring aan redelijke eisen voldeed.”
Onbalans
Er bestaat volgens de auteurs momenteel een onbalans tussen toezichtsbeleid en mededingingsbeleid, bezien vanuit de invalshoek van de gewenste optimale effecten op de concurrentie in de verzekeringsmarkt. Het toezicht beoogt enerzijds de polishouders te beschermen tegen déconfitures, maar anderzijds dient een inefficiënte verzekeraar op lange termijn van de markt te verdwijnen. Een tweesporige aanpak is dus noodzakelijk.
In de eerste plaats mag het mededingingsbeleid niet ontsporingen op korte termijn bevorderen, maar moet buitensporige concurrentie worden vermeden die redelijk efficiënte ondernemingen in gevaar brengt.
In de tweede plaats mag het toezicht niet een zodanige uitwerking hebben dat inefficiënte aanbieders op de lange termijn beschermd zouden worden.
De door ‘Brussel’ gekozen maximale concurrentie leidt tot correctie, zowel op korte als op lange termijn, op tekortkomingen van maatschappijen op de markt. De in het normatieve toezicht beoogde optimale concurrentie leidt niet tot correctie op korte termijn maar wel op lange termijn.
Vanuit het standpunt van de toezichthouder en dat van de mededingingsinstantie doen Vermaat en Bakker enkele voorstellen die de gesignaleerde onbalans tussen mededinging, toezicht en marktkrachten kunnen verminderen.
Zowel het toezichtsbeleid als het mededingingsbeleid dienen rekening te houden met de intense maatschappelijke wens van financiële betrouwbaarheid van verzekeraars. Dit impliceert dat zowel een aanpassing overwogen moet worden van het toezichtsbeleid als van het mededingingsbeleid, om de gestelde maatschappelijke eisen beter te kunnen realiseren.
Aanpassingen toezicht
Bij de aanpassingen in het toezichtsbeleid denken Vermaat en Bakker aan vier aanknopingspunten:
– toets op prijsvorming bij levensverzekeringen;
– solvabiliteitsmarge;
– rol van verkooopkanalen, met name het onafhankelijk intermediair;
– garantieregeling.
Toets op prijsvorming
De Verzekeringskamer richt haar aandacht vooral op het moment van uitkering. Het mededingingsbeleid kijkt echter primair naar het tijdstip van de prijsvorming, het moment dat de verzekering wordt gesloten. Daardoor gaat de toezichthouder tevens meer naar laatstgenoemd moment kijken.
“De Verzekeringskamer onderzoekt momenteel de beleidsmatige, technische en juridische mogelijkheden van ‘profit testing-modellen’ en gaat na in welke mate deze modellen mogelijkheden bieden om haar toezichtsinstrumentarium uit te breiden. In overweging is daarbij de onafhankelijke taak van de actuaris te verbreden en te verstevigen.”
Solvabiliteitsmarge
De feitelijke (aanwezige) solvabiliteitsmarge ligt ruim boven de wettelijk vereiste marge. Het surplus is het resultaat van zelfregulering. “Om deze door verzekeraars zelf gewenste veiligheidsmarge te bestendigen, kan overwogen worden de wettelijke marge te verhogen tot de onderkant van de feitelijke marges als gemiddelde in de bedrijfstak over een aantal recente jaren.”
Er wordt in het artikel niet in meer concrete zin ingegaan op een verhoging van wettelijke marges. “Wel lijkt vast te staan, dat de hoogte van de marge en de wijze waarop zij wordt berekend, voor revisie vatbaar is.”
Onafhankelijk intermediair
De uiteindelijke financiële uitkomst van een (levens)verzekeringscontract is voor consumenten dikwijls ondoorzichtig. Enerzijds door de concurrentie waardoor aanbieders zich willen onderscheiden. Anderzijds door een groeiend bevolkingssegment dat tamelijk vermogend is en dat het stadium van ‘het verzekerd sparen voor later’ gepasseerd lijkt en in spaarprodukten het onzekere beleggingsaspect belangrijker vindt dan het verzekeringsaspect.
“Deze ontwikkeling, waar verder niets op tegen is, kent een negatieve uitstraling naar die burgers die juist een grote waarde toekennen aan het verzekeringsaspect in een spaarprodukt. Onontkoombaar krijgen zij, bestookt met agressieve reclame-uitingen, het gevoel dat hun spaargelden meer hadden kunnen opbrengen.”
De Verzekeringskamer ziet hier een belangrijke taak weggelegd voor de verkoopkanalen, en met name voor het onafhankelijk intermediair.
“Het onafhankelijke intermediair heeft, ook uit eigenbelang, een taak bij een verbetering in de immer problematische relatie tussen betrouwbaarheid en imago van de verzekeringsbedrijfstak. Een ontwikkeld systeem van (onderlinge) ‘rating’ van de verzekeringmaatschappijen zou hieraan een aanzienlijke ondersteuning kunnen bieden. Zo’n ontwikkeld ratingsysteem bestaat momenteel (nog) niet in Nederland. Bovendien is de ontwikkeling en toepassing ervan problematisch. Toch zou een nader onderzoek in deze richting van belang zijn.”
“De door consumenten ervaren onafhankelijkheid van het intermediair zou aan betekenis kunnen winnen wanneer de basis voor hun inkomsten zich zou bewegen richting een honorarium in plaats van omzetgerelateerd.” Men ziet de rol van het onafhankelijk intermediair zwaarder worden wanneer dat intermediair in staat is geobjectiveerd advies te geven over tal van risico-rendementscombinaties van verzekeringsprodukten.
Garantieregeling
Ter bescherming van de polishouders is er in sommige landen een garantieregeling, soms een garantiefonds. “Men kan echter ook denken aan een of andere overdrachtsfaciliteit, die gericht is op een zodanige tijdige overdracht van de portefeuille aan één of meer gezonde verzekeraars dat de schade voor de getroffen polishouders binnen redelijke marges blijft.” Een echt concurrerende markt vereist een dergelijke garantieregeling, zo vinden de auteurs.
Aanpassingen mededinging
Bij de aanpassing van het mededingingsbeleid ziet men twee aanknopingspunten:
– een afkoelingsinstrumentarium;
– uitbreiding van de zelfregulering.
Bij ongebreidelde concurrentie kunnen premie-oorlogen ontstaan die op korte termijn aantasting van de solvabiliteit teweeg kunnen brengen bij maatschappijen die op langer zicht gezond zijn. Om deze kortstondige concurrentie te matigen, zou binnen het nationale mededingingsbeleid een instrumentarium ter beschikking moeten zijn dat het mogelijk maakt een bevriezingsperiode af te kondigen. “Hierdoor wordt een (tijdelijke) prijsbodem in de markt gelegd. De toezichthouder kan hierbij een adviserende rol vervullen. De overheid blijft in deze opzet de aangewezen instantie om dit minimumbeleid te voeren.”
Zelfregulering
De Brusselse groepsvrijstelling van de mededingingsbepalingen is onnodig inperkend. “Meerdere vormen van zelfregulering zijn denkbaar en zelfs wenselijk voor de richting van een gezonde premiestelling. Met name valt te denken aan modelcalculaties waarbij op basis van gezonde actuariële en bedrijfseconomische grondslagen door de bedrijfstak voorbeeldberekeningen worden gemaakt van standaardprodukten voor de verzekeringsmarkt”, schrijft het tweetal. “Om te vermijden dat er een strikt ongewenste afglijding naar kartellering zou optreden, is het denkbaar om dergelijke resultaten van zelfregulering ter toetsing voor te leggen aan een instantie van het mededingingsorgaan. In Nederland zou dit bijvoorbeeld een subcommissie kunnen zijn van de commissie mededinging van de Wet Economische Mededinging. Uiteraard dienen een aantal deskundigen uit de bedrijfstak een (adviserende) rol daarin te hebben.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.