nieuws

Verzekeringskamer adviseert verplichtstelling bedrijfstakpensioenfondsen

Archief

aan te passen

De verplichtstelling van bedrijfstakpensioenfondsen dient in aangepaste vorm te worden gehandhaafd, om eventueel op termijn maar dan met dringender argumenten tot meer structurele aanpassingen te besluiten.
Dit staat in de aanbeveling van de Verzekeringskamer naar aanleiding van de vraag van ‘sociale zaken en werkgelegenheid’ en van ‘financiën’ hoe de marktwerking in pensioenen kan worden verbeterd.
Op basis van de uitgangspunten solidariteit, sociale zekerheid en marktafbakening uit de jaren vijftig is een pensioensysteem ontstaan waarvoor weliswaar veel waardering bestaat, maar dat intussen ook enige bijstelling behoeft, betoogt de Kamer.
De welvaartsgroei en de creatie van werkgelegenheid worden echter niet bedreigd door het huidige pensioensysteem, stelt de Kamer, daarmee het argument van verzekeraars weersprekend dat opheffing van de verplichtstelling leidt tot versterking van het bedrijfsleven.
Aow zwaar argument
“De samenleving ervaart mogelijk niet alle nadelen van de huidige pensioensystematiek die wel eens gesuggereerd worden. Daarbij komt dat de onzekerheid over de betaalbaarheid van de aow een zwaar argument is om nog maar even te wachten met een stevige terugdringing van de solidariteit in de tweede pensioenlaag”, betoogt de toezichthouder van verzekeraars en pensioenfondsen.
Dankzij onder andere de, uit de verplichtstelling voortvloeiende, solidariteit heeft de pensioensector allerlei ontwikkelingen kunnen opvangen als groei van de welvaart, emancipatie van de vrouw, veranderingen op de arbeidsmarkt en veranderingen in de bevolkingsopbouw. Het is niet zonder risico om slechts één element uit het systeem, de marktwerking, kritisch te bezien zonder de directe en indirecte gevolgen in de gaten te houden.
Geleidelijk
“Een huidig systeem dat geleidelijk is ontstaan en waarvan de klaarblijkelijke huidige nadelen voor de samenleving toch niet zo groot lijken dat er onverwijld moet worden ingegrepen, vraagt eerder om geleidelijke aanpassingen dan om bomkraters”. Bedacht moet worden dat afschaffing van de verplichtstelling niet herroepen kan worden.
De Verzekeringskamer acht verbeteringen mogelijk in de vorm van verruiming van vrijstellingen van de verplichte deelneming en verlaging van het niveau van het verplichtgestelde pensioen, waardoor de vrije spaarmarkt groter wordt. Vanuit het ‘Brusselse’ mededingingsbeleid verwacht de toezichthouder trouwens dat de hoogte van de pensioentoezegging op enig moment getoetst zal gaan worden aan het algemeen belang.
Ook pleit de Verzekeringskamer voor meer flexibiliteit in de pensioentoezegging en vindt de Kamer het nuttig dat zowel sociale partners als werknemers prijsbewuster worden inzake pensioenkosten. Onderzocht moet volgens de Kamer worden of de samenleving de huidige pensioensystematiek wel zo knellend ervaart als soms wordt gesuggereerd. Ook moeten kosten en opbrengsten vastgesteld worden van het huidige pensioensysteem en van een beoogd nieuw systeem.
Ook in het huidige stelsel kunnen sociale partners of fondsbesturen op basis van concurrerende tarieven en dienstverlening besluiten het verplichtgestelde fonds onder te brengen bij een verzekeraar, merkt de Verzekeringskamer op. “Dat neemt niet weg dat verzekeraars zonder de verplichtstelling een groter marktaandeel zouden kunnen hebben dan mèt de verplichtstelling”.
De vraag is in welke mate de oude argumenten van sociale partners voor de verplichtstelling nu nog gelden. Opheffing van de verplichtstelling kan ertoe leiden dat sommige ondernemingen geen (goede) pensioenopbouw regelen. “Ter voorkoming van de ‘witte’ en ‘grijze’ vlekken is zelfs een verdere toename van het door de verplichtstellingen bestreken terrein heel wel denkbaar”.
Uitvoeringskosten
De Verzekeringskamer gaat in op de uitvoeringskosten. De uitvoeringskosten in procenten van de premies beliepen in 1993 bij bedrijfstakpensioenfondsen 5,8%, bij ondernemingspensioenfondsen 4,4%.
Bij levensverzekeraars beliepen deze kosten (individuele en collectieve posten) 13,3%, een scherpe daling van de 17,1% in 1989. Gesplitst in collectieve en individuele verzekeringen zijn deze uitvoeringskosten van verzekeraars in 1993 7,2% resp. 21,1% van de premie.
De scherpe daling sinds 1989 bij verzekeraars is mede veroorzaakt door meer spreiding van de eerste kosten over de looptijd en door een toename (vooral in 1993) in de afgegeven herverzekering.
Ten aanzien van de 21,1% bij individuele verzekeringen merkt de Verzekeringskamer op: “Saillant wordt hiermee duidelijk dat de marktwerking zijn prijs kent. De kosten van individuele serviceverlening, de gemiddeld kortere looptijden, de aanzienlijke kosten voor administratie, beheer, acquisitie, provisies, andere verkoopkosten als reclame en sponsoractiviteiten alsmede de kapitaalkosten verklaren het aanzienlijke kostenverschil”.
Bedrijfstakpensioenfondsen hebben meer kosten dan ondernemingspensioenfondsen omdat eerstgenoemden met soms duizenden ondernemingen te maken hebben. “Vooral bij ondernemingspensioenfondsen zijn bepaalde kosten zoals huisvestingskosten nogal eens ondergewaardeerd. Bovendien is niet altijd duidelijk of de uitvoeringskosten die de werkgever maakt, wel in eenzelfde mate worden doorbelast aan een ondernemingspensioenfonds en aan een verzekeraar”, aldus de Verzekeringskamer. Bij bedrijfstakpensioenfondsen is de toerekening van kosten relatief zuiverder.
“Meer marktwerking zal produktvariatie en op individuen toegesneden produkten teweeg brengen”, schrijft de toezichthouder. “De uitvoeringskosten zullen waarschijnlijk substantieel gaan toenemen. Ook een versnippering van de pensioentoezegging over meerdere pensioenuitvoerders zal een kostenstijging met zich brengen”. De Kamer kan niet aangeven in hoeverre de meerkosten van de individuele produkten meerwaarde betekenen door de produktvariabiliteit en de individualisering.
De Verzekeringskamer merkt verder op dat individualisering van pensioenen de arbeidsmarkt flexibeler maakt. “Flexibel betekent dan ook dat meer selectie zal gaan plaatsvinden op leeftijd en gezondheid. Een systeem van doorsneepremies bestaat dan immers niet meer”.
In de betrokken beroepen betreft de verplichtstelling niet het pensioenfonds maar de pensioenregeling. Betrokken beroepsbeoefenaren kunnen de regeling laten uitvoeren door een fonds of door een verzekeraar. Van gedwongen winkelnering is geen sprake.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.