nieuws

Verzekeraars niet verantwoordelijk voor advies-fouten tussenpersoon

Archief

Verzekeraars niet verantwoordelijk voor advies-fouten tussenpersoon

zoals bij onderverzekering
Een voetbalclub heeft in 1978 een uitgebreide gevarenverzekering gesloten op het clubgebouw en de inventaris daarvan. In 1982 is de verzekering uitgebreid tot de terreinverlichting en de tribune. De verzekering is op indexbasis en op grond daarvan was de terreinverlichting per 13 juli 1993 verzekerd voor f 103.500 en de tribune voor f 7.200.
In de nacht van 25 op 26 januari 1994 is een verlichtingsmast van de terreinverlichting omgewaaid en op de tribune gevallen. De door verzekeraar ingeschakelde expert heeft de schade begroot op f 34.000.
De expert stelde de verzekerbare waarde van de tribune vast op f 22.343 en die van de terreinverlichting op f 214.242, in beide gevallen dus meer dan het dubbele van het feitelijk verzekerde bedrag.
De voetbalclub ging niet akkoord met gedeeltelijke schadevergoeding. In een klachtbrief aan de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf stelt de club: “Op advies van de verzekeringsagent van verzekeraar is destijds uitgegaan van de werkelijk gemaakte kosten van de bouw en is de verzekerde som vastgesteld op in totaal f 89.100 op indexbasis. Wij dachten daarom steeds voldoende verzekerd te zijn. Verzekeraar had ons eerder op de (mogelijke) onderverzekering moeten wijzen”.
Verzekeraar betoogt in zijn verweer, dat bij de inspectie van het voetbalcomplex in 1978 er nog geen terreinverlichting en tribune aanwezig waren, althans niet in de vorm zoals in 1982 werden verzekerd. Bij de vaststelling van de verzekerde som in 1982 was geen expert van verzekeraar betrokken. Vaststelling van de verzekerde som geschiedde op advies van de tussenpersoon, de bank. De verzekeraar betoogt: “Aangezien deze bank ten opzichte van de maatschappij – zeker in 1982 – aangemerkt moet worden als een onafhankelijke tussenpersoon, kunnen (gebreken in) adviezen van die tussenpersoon aan een (aspirant-)verzekerde niet aan verzekeraar worden toegerekend. In 1982 waren wij een volledig zelfstandige maatschappij die voor de verkoop van onze produkten nauw samenwerkte met plaatselijke banken. Echter van enige ondergeschiktheidsverhouding van de plaatselijke bank ten opzichte van de maatschappij was geen sprake. De plaatselijke bank bepaalde in alle vrijheid met welke verzekeringsmaatschappijen werd samengewerkt en of een bepaalde verzekering bij de ene of de andere maatschappij werd ondergebracht.” Aan de verdediging wordt nog toegevoegd, dat een verzekeraar slechts in algemene zin zijn verzekerden kan waarschuwen voor onderverzekering. Het in een concrete situatie vaststellen van de verzekerde som blijft een eigen verantwoordelijkheid van de (aspirant-)verzekerde. In een reactie op dit verweer betoogde de voetbalclub, dat de agent zich destijds steeds voordeed als representant van verzekeraar. Zo heeft de agent geen offertes aangevraagd bij andere maatschappijen. Daarom acht de club de verzekeraar verantwoordelijk voor de onderverzekering. De Raad van Toezicht verklaarde de klacht ongegrond. De verzekeraar is niet aansprakelijk voor een mogelijk onjuist advies van een van hem onafhankelijke tussenpersoon. Uitspraak nr II-96/6
…en bij verzwijging
Een man sluit op 7 december 1994 een extra uitgebreide inboedelverzekering. Bij de vraag naar de onderhoudstoestand van het gebouw is “goed” aangekruist en bij de vraag naar het gebruik van het gebouw “uitsluitend particuliere bewoning” en niet “pension of kamerverhuur”.
Bijna twee maanden later vraagt de man vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van een roofoverval op 30 januari 1995 in de door hem bewoonde woonruimte. De verzekeraar wijst de claim af, met een beroep op art. 251 WvK (verzwijging).
Tegenover de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf (waar hij een klacht had ingediend) erkent de man, dat de woning slecht onderhouden was. De roofoverval heeft echter niets met de onderhoudstoestand van de woning te maken. De vermelding ‘particuliere bewoning’ op het aanvraagformulier is volgens klager op zich juist. Hij huurt het pand en had een aantal kamers onderverhuurd. Ook dan is sprake van ‘particuliere bewoning’, betoogt hij. Het aanvraagformulier voor de verzekering is door de tussenpersoon ingevuld. Deze was van de situatie van de betreffende woning op de hoogte. Klager spreekt bijna geen Nederlands en kan niet schrijven. Verzekeraar stelt in zijn verweer, dat is vastgesteld dat er op het risico-adres sprake is van kamerverhuur en dat het pand in slechte staat van onderhoud verkeert. Hij doet daarom een beroep op art. 251 WvK. De Raad van Toezicht oordeelt, dat de verzekeraar in redelijkheid een beroep kan doen op art. 251 WvK. “Daaraan doet niet af dat de door klager geclaimde schade als gevolg van de roofoverval niet met de als voormeld onjuist opgegeven feiten in verband staat, omdat een dergelijk verband niet is vereist voor een beroep op art. 251 WvK. Evenmin doet daaraan af, dat het aanvraagformulier, volgens klagers stelling, door diens tussenpersoon werd ingevuld, daar verzekeraar in redelijkheid het standpunt kan innemen niet aansprakelijk te zijn voor mogelijke verzuimen van een van hem onafhankelijke tussenpersoon. De klacht wordt ongegrond verklaard. Uitspraak nr II-97/7

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.