nieuws

Verzekeraar moet overige schade frauderend echtpaar alsnog vergoeden

Archief

Een echtpaar heeft een uitgebreide inboedelverzekering gesloten. Het duo doet bij de betrokken verzekeraar aangifte van een inbraak in hun woning waarbij onder meer een gouden damesring met groeibriljant werd ontvreemd. De verzekeraar weigert na onderzoek door een expert, tot uitkering over te gaan, zegt bovendien de verzekering op en meldt het echtpaar aan voor plaatsing op de ‘zwarte lijst’. De maatschappij beroept zich daarbij op een polisbepaling die haar het recht geeft de verzekering na misleiding onmiddellijk op te zeggen.

De inboedelverzekering bevat onder artikel 16.3.2 de clausule dat “verzekeraar de verzekering met onmiddellijke ingang kan opzeggen en elk recht op uitkering vervalt in geval van bedrog, misleiding of wanprestatie, alsmede bij een onjuiste of onware voorstelling van zaken met betrekking tot een evenement welke voor verzekeraar tot een verplichting tot uitkering zou kunnen leiden en/of de omvang van de daaruit voortvloeiende schade heeft beïnvloed”.
Het echtpaar zou een te hoge waarde voor de ring hebben opgegeven, namelijk f 980 in plaats van de f 384 die de ring volgens de door de expert geraadpleegde fabrikant werkelijk waard is.
Er is bovendien met het certificaat van de ring geknoeid. Op dit certificaat is bij de verkoopprijs de ‘privacy-code’ gdr, die onder juweliers staat voor een bedrag van f 382, vervangen door het getal 980.
In een klacht bij de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf stelt het echtpaar, dat het bij de schade-afwikkeling steeds duidelijk heeft laten blijken dat voor de ring geen f 980 is betaald, maar veel minder. Bij een wijziging van de inboedelverzekering, twee jaar voor de inbraak, heeft de verzekeraar niet gereageerd op het kennelijk te hoge bedrag op het certificaat van de ring.
De verzekeraar vindt het feit dat het veranderde bedrag in eerdere instantie niet is opgevallen hem niet het recht ontzegt alsnog een beroep te doen op artikel 16.3.2 op het moment dat hij de misleiding ontdekt.
Alternatief
De man en vrouw zeggen niets van de ‘overschrijving’ af te weten. De expert betoogt daarentegen, dat de man een bedrag van f 980 heeft opgegeven, en daar niet op terugkwam toen hij in een telefoongesprek werd geconfronteerd met het feit dat het certificaat was veranderd.
De man zou volgens de expert later hebben opgegeven de ring voor ongeveer f 500 te hebben gekocht. De man zegt dit bedrag ook eerder te hebben genoemd, hetgeen de expert ontkent.
De verzekeraar gaat er, op grond van de aangifte bij de politie en het schade-aangifteformulier, van uit dat het echtpaar f 980 claimde. Er zou derhalve sprake van misleiding zijn. De verzekeraar verwijst daarbij naar uitspraak II-95/36 van de Raad van Toezicht en naar het arrest van het Hof te Amsterdam van 8-9-94, S&S nr. 61.
De verzekeraar heeft geen kanttekeningen bij de opgave van de overige schade, op een geclaimde videorecorder na. De maatschappij zou graag zien dat artikel 16.3.2 volledig wordt gehonoreerd.
De Raad van Toezicht wijst evenwel op zijn ‘trend-zettende’ uitspraak nr. II-93/7, en vergelijkbaar daarmee II-93/18, 93/33, 95/36, III-95/48 en V-93/25. In navolging van deze uitspraken zou alleen vergoeding van de ring en de videorecorder moeten worden geweigerd.
De verzekeraar is bang dat daarmee het sanctie-achtige karakter van artikel 16.3.2 teniet wordt gedaan, en verzekerden er juist toe verleidt ‘een gokje te wagen’.
Oordeel
Het standpunt van verzekeraar dat er sprake is van misleiding, gezien de waardeopgave aan de politie, de verzekeraar en de expert, wordt door de Raad van Toezicht verdedigbaar gevonden. De verzekeraar staat daarom in zijn recht de inboedelverzekering met onmiddellijke ingang op te zeggen en klager te doen signaleren in het Systeem Vertrouwelijke Mededelingen (de ‘zwarte lijst’) van het Verbond van Verzekeraars.
De Raad vindt de sanctie de totale geleden schade (ongeacht de omvang) niet uit te betalen, wel erg zwaar. In het algemeen acht de Raad een dergelijke sanctie niet gerechtvaardigd, waarbij wordt verwezen naar artikel 6:237 aanhef en onder h BW. Hierin is onder meer te lezen dat “ook indien de gedraging voldoende verband heeft met het getroffen recht, het niet past aan die gedraging algeheel verlies van recht te verbinden waar een minder ver gaande sanctie mogelijk en redelijk zou zijn”. Dit is volgens de Raad in deze zaak inderdaad het geval. Omdat de verzekeraar de schade buiten de geclaimde videorecorder en de ring niet betwist, had hij deze moeten vergoeden, oordeelt de Raad.
Conclusie: de klacht van het echtpaar is deels ongegrond, maar op het punt van de schades met uitzondering van de ring en de videorecorder wordt de verzekeraar in het ongelijk gesteld. Hij moet die overige schade alsnog uitbetalen.
Raad van Toezicht, Uitspraak nr. II-96/40

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.