nieuws

Verzekeraar dupe van financiële warboel bij een gevolmachtigde

Archief

Een gevolmachtigde agent die nogal ‘creatief’ bezig was op boekhoudkundig gebied, wordt door een verzekeraar aan de kant gezet. In een aantal gevallen is niet duidelijk of verzekerden hun premie hebben betaald. Waar dit door de ingeschakelde accountants niet valt te traceren en verzekerden evenmin een bewijs van betaling kunnen overleggen, gaat verzekeraar alsnog tot invordering over. Dit leidt tot een klacht bij de Raad van Toezicht Verzekeringen.

Een man die bij de betrokken gevolmachtigde agent een autoverzekering had gesloten, was over de periode 13 maart 1997 tot 24 februari 1998 een premie van f 807,60 verschuldigd. Hoe het met de eventuele betaling daarvan is gegaan, is onduidelijk, maar de uitvoering van de verzekering ging – door toedoen van de risicodrager – wel volgens het boekje. Twee schades van de verzekerde, die zich voordeden in de lente van 1997, zijn normaal betaald en een week of zes na afloop van de verzekering heeft de verzekeraar een, op 10 april 1998 gedateerde, royementsverklaring verstrekt.
Op 23 juni 1998 stuurde verzekeraar de man echter een premiebetalingsherinnering voor het genoemde bedrag van f 807,60. De man heeft vervolgens de Consumentenbond om bijstand gevraagd, stellende dat hij de gevorderde premie al betaald had.
De verzekeraar schakelde evenwel een incassobureau in. Ruim een jaar later, op 26 juni 1999, heeft klager het gevorderde premiebedrag, vermeerderd met rente en kosten (in totaal een bedrag van f 1.072,32) onder protest betaald. Maar hij diende wel een klacht in bij de Raad van Toezicht. “Ik heb de premie aan het begin van de verzekeringsperiode contant bij de Postbank betaald, maar ik kan het reçu niet meer vinden. Na de ontvangst van de royementsverklaring heb ik veel op deze verzekering betrekking hebbende bescheiden vernietigd”, lichtte hij toe.
Verweer
De verzekeraar, die in de loop van 1997 met de gevolmachtigde agent brak, kreeg bij rechterlijke uitspraak van 28 oktober 1997 toestemming om de administratie in eigen beheer te nemen. De eerste zorg gold tal van vragen van verzekerden en tussenpersonen in verband met ingediende verzekeringsaanvragen en de dekking in het algemeen en in het bijzonder betreffende WAM-risico’s. Gelijktijdig werd de eerste aanzet gegeven om de achterstand in de polisadministratie te inventariseren teneinde een plan van aanpak te kunnen vaststellen. “Daarbij kozen wij ervoor – uiteraard tegen ons belang in – om de gevolgen van deze administratieve achterstand niet al te zwaar op de verzekerden te laten rusten.”
Alternatief circuit
In de administratie van de voormalige gevolmachtigde agent was geen enkele aanwijzing te vinden dat klager de premie heeft betaald. Eind 1997 stelde verzekeraar vast dat door die agent een alternatief premiecircuit en dito geldstromen ontwikkeld waren.
Onder dreiging van kort-gedingprocedures werden de daartoe aangestelde forensische accountants pas in juli 1998 in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de dagafschriften van de desbetreffende bankrekeningen. Daarboven was een bedrag van ongeveer f 2 mln aan ontvangen premiegelden in de administratie van de voormalige gevolmachtigde agent niet verantwoord.
Verzekeraar betoogt in zijn verweer omstandig dat hij zeer behoedzaam te werk is gegaan bij het incasseren van vermeende achterstallige premie. Klager heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij tot premiebetaling was overgegaan. “De minste twijfel omtrent een eventuele premiebetaling zou in het voordeel van klager worden aanvaard”, aldus de verzekeraar. Het is om deze (principiële) reden dat het voorstel van de Consumentenbond om op basis van 50% de zaak te regelen, is afgewezen.
“Klagers geval is uniek, in die zin dat omtrent de bewijslast van premiebetaling, tot op heden geen enkel geval bekend is waarbij de betrokken debiteur niet in de mogelijkheid was de nodige aanwijzing te geven die in zijn voordeel kon worden uitgelegd”.
“Dat wij twee door klager geclaimde schades hebben afgewikkeld en hem een royementsverklaring hebben verstrekt, is omdat wij onze verzekerden niet hebben willen confronteren met de voormalige gevolmachtigde agent, onder meer over de omtrent de premie-incasso gerezen problemen.”
Oordeel
De Raad van Toezicht heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin de verzekeraar in deze zaak is komen te verkeren en de Raad uit waardering voor de wijze waarop hij de verzekering als zodanig heeft uitgevoerd.
Dit alles neemt volgens de Raad niet weg dat klager, gezien de onvoorwaardelijke vergoeding van de schades en de ontvangst van een royementsverklaring, kon menen dat de relatie met verzekeraar ten einde was en hij dus op de verzekering betrekking hebbende bescheiden, waaronder het bewijs van betaling van de premie, niet langer hoefde te bewaren. “In die situatie en in aanmerking genomen dat de door verzekeraar aangetroffen administratie dermate gebrekkig was dat het kon gebeuren dat daarin van tal van premiebetalingen geen spoor was terug te vinden, paste het verzekeraar niet om alsnog van klager betaling van de premie te verlangen.”
De Raad van Toezicht verklaart de klacht gegrond en draagt de verzekeraar op om het bedrag van f 1.072,32 alsmede de door klager aan de Consumentenbond betaalde kosten van bijstand en de wettelijke rente over deze beide bedragen, aan de verzekerde te betalen. Raad van Toezicht Verzekeringen, uitspraak nr. 2000/76 Mo

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.