nieuws

Verlaag de fiscale claim op prepensioen!

Archief

Naar verwachting bouwen twee miljoen werknemers ook na 1 januari 2006 nog prepensioenrechten op. De fiscale claim die daarop rust, bedraagt naar schatting zo’n _ 100 miljoen per maand; per werknemer bedraagt de heffing 52% van de betaalde prepensioenpremies. Er zijn echter manieren om deze claim te verminderen.

Door Alfred Lagendijk
September vorig jaar heeft De Nederlandsche Bank op verzoek van minister de Geus van Sociale Zaken onderzocht welk percentage van de werknemers in Nederland naar verwachting nog geen aangepaste prepensioen- of vroegpensioenregeling zou hebben op 1 januari 2006. Dat was de dag waarop de fiscale aftrek voor prepensioenpremies zou komen te vervallen. De schatting was destijds dat een kwart van de regelingen nog niet zou zijn aangepast. Het gaat dan om circa anderhalf tot twee miljoen werknemers.
Om die reden werd in november besloten een aanvullend overgangsrecht te maken, dat geldt voor 2006. Dit overgangsrecht staat toe dat de prepensioenregeling ongewijzigd doorloopt, waarbij de werkgever een strafheffing is verschuldigd van 52% over alle pensioenuitkeringen die verzekerd zijn voor de 65-jarige leeftijd, voornamelijk prepensioen, vroegpensioen en overbruggingspensioen. Uiteraard laat de overgangsregeling alles wat in het verleden is opgebouwd ongemoeid en vindt de heffing dus alleen plaats over de premies die betaald worden over 2006 en ook zolang de regeling niet is aangepast aan de nieuwe wetgeving.
Een ruwe schatting is dat Nederlandse werkgevers per maand rond de _ 100 mln aan extra belasting zijn verschuldigd. Door deze maatregel komt de druk tot aanpassing van de collectieve pensioenregeling wel bij de werkgever te liggen. De werknemers betalen in eerste instantie immers geen strafheffing. De druk op het onderhandelingsproces verplaatst zich echter wel richting werknemers, omdat de fiscale heffing ook op het beschikbare budget voor personeelsbeloning drukt. Dat gebeurt zeker op het moment dat vakbondsonderhandelaars of ondernemingsraden het onderhandelingsproces bewust vertragen.
Heffing bepalen
Werkgevers zullen zelf de strafheffing moeten bepalen die zij als afdracht aan de Belastingdienst zijn verschuldigd. Het ministerie van Financiën en de Belastingdienst hebben een zogeheten ‘rekentool’ gemaakt, die op de site van de Belastingdienst is geplaatst.
De werking hiervan is tamelijk eenvoudig. Aan de hand van enkele basisgegevens zoals pensioenleeftijd, premie en opbouwmethodiek wordt de strafheffing berekend. Als de uitkomst ertoe leidt dat er geen strafheffing verschuldigd is, dan is het voldoende dat de berekening met behulp van het rekeninstrument is gemaakt. Het is niet nodig om de regeling daarna nog bij de belastinginspectie voor akkoord voor te leggen.
Het voordeel van het rekenhulpmiddel is dat deze uitgaat van een hogere fiscaal toegestane pensioenopbouw dan waar de wetgeving vanuit gaat. De conclusie is dat een regeling met een gematigde opbouw gericht op pensioenleeftijd 62 of 63 in 2006 kan blijven bestaan zonder strafheffing en pas aan het einde van dit jaar hoeft te worden aangepast.
Eén toets
Bijkomend voordeel is dat niet voor elk individu een berekening hoeft te worden gemaakt. De regeling hoeft maar eenmaal te worden ingevoerd in de ‘rekentool’ en de goedkeuring geldt vervolgens voor iedereen.
Er mag worden volstaan met een toets op bedrijfstakniveau, mits voor alle werkgevers maar de dezelfde regeling geldt. Gelden er verschillende regelingen of aanvullende regelingen, dan moet een toets per werkgever plaatsvinden. Hetzelfde is van toepassing op een concern dat uit meerdere bedrijfsonderdelen bestaat. Hoewel een verklaring per werkgever wordt gevraagd – dus een verklaring per rechtspersoon – mag ook hier worden uitgegaan van de geldende regeling voor het hele concern, tenzij er voor de concernonderdelen verschillende pensioenregelingen gelden.
Voor wat meer ingewikkelde regelingen, zoals een combinatie van beschikbare premie en middelloon, zal een aantal aannames moeten worden gemaakt. Een van de belangrijkste voordelen van deze systematiek is dat voor de strafheffing mag worden gekeken naar het totale werknemersbestand, waarbij overschrijdingen door bepaalde deelnemers van de fiscale grenzen mogen worden gecompenseerd met niet benutte ruimte bij andere deelnemers.
Op zich biedt dit een praktisch maar zeer ongewoon handvat voor bepaalde situaties. De systematiek is zeer ongebruikelijk voor de loonbelasting. In alle andere situaties wordt de bovenmatigheid van fiscale aanspraken – of het nu gaat om pensioen of andere fiscaal vrijgestelde aanspraken – getoetst op persoonsniveau en niet op het niveau van de totale groep werknemers.
Extra pensioen!
Een neveneffect van deze systematiek is, dat deelnemers die bijvoorbeeld bijsparen voor vroegpensioen daar in 2006 gewoon mee kunnen doorgaan. Voorwaarde is dat de totale regeling voor alle werknemers binnen de fiscale grenzen past. Hetzelfde geldt voor een ongebruikelijk lage franchise. Die mag gewoon blijven bestaan, mits de overige onderdelen van de pensioenregeling maar niet leiden tot fiscale bovenmatigheid.
Dit alles kan er zelfs toe leiden dat aan bepaalde groepen werknemers extra prepensioen of vroegpensioen kan worden toegekend, zonder dat er een strafheffing verschuldigd is. Er is één maar: de regeling moet op 1 januari 2007 wél voldoen aan de gehele nieuwe fiscale systematiek. Verbeteringen die dit jaar worden aangebracht in de prepensioenregeling moeten dus betrekking hebben op achterliggende dienstjaren en niet op de toekomst.
Omzetting naar OP
Eén van de veranderingen die veel werkgevers doorvoeren, is de omzetting van tijdelijk pensioen (zoals prepensioen en vroegpensioen) naar levenslang ouderdomspensioen. Deze omzetting tast de fiscale ruimte voor toekomstige opbouw van ouderdomspensioen niet aan, als het rechten betreft die tot 1 januari 2006 zijn opgebouwd. Op de vraag of tijdelijk pensioen dat in 2006 is opgebouwd, ook op dezelfde wijze kan worden omgezet in ouderdomspensioen, is het antwoord ontkennend.
Dat betekent dat omzetting in ouderdomspensioen wel mogelijk is, maar dat deze omzetting wel de mogelijkheid tot toekomstige pensioenopbouw van ouderdomspensioen aantast.
Eén van de prettige aspecten is dat bij collectieve pensioenverbeteringen geen rekening hoeft te worden gehouden met individueel gespaarde rechten. Ook hier geldt dit alleen voor de situatie in 2005. Als in 2006 een collectieve pensioenverbetering plaatsvindt, moet wel rekening worden gehouden met de in 2006 gespaarde bedragen.
Conclusie
Werkgevers die pas in 2006 toekomen aan afschaffing van hun prepensioen- of vroegpensioenregeling, kunnen de strafheffing beperken door gebruik te maken van de ‘rekentool’ van de Belastingdienst. Zij kunnen op groepsniveau de bovenmatigheid van hun pensioenregeling toetsen. Dat biedt zelfs de gelegenheid om verbeteringen aan te brengen in de regeling.
& Insurance Services van PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.